| Logs van kortverhaal |
--- Archief ---
|
| Afbeelding/foto |
 |
On-line boeken & on-line muziek
(Om te lezen / om te beluisteren: klik op de flap)
|
16-05-2007 - De Onderwereld (24): De Faun.
De Onderwereld (24): De Faun.
Om te lezen: www.bloggen.be/omskvtdw/
Gepost door: omsk op 16-05-2007 om 20:12
|
|
14-05-2007 - vervolg De Onderwereld
De onderwereld (10), (11), (12), (13), (14), (15), (16), (17), (18 ), (19),(20), (21), (22), (23) enz.: nu op:
www.bloggen.be/omskvtdw
Gepost door: omsk op 14-05-2007 om 06:19
|
|
24-04-2007 - De onderwereld (9): De opdracht.
Gepost door: omsk op 24-04-2007 om 10:09
|
|
20-04-2007 - De onderwereld (8): Lotte’s droom.
De onderwereld ( : Lotte’s droom.
Om te lezen: www.bloggen.be/omskvtdw/
Gepost door: omsk op 20-04-2007 om 21:10
|
|
21-03-2007 - De onderwereld (7): De duivel in de aardkern
De onderwereld (7):
De duivel in de aardkern
Toen Lotte tenslotte vredig sliep en toen haar moeder was weggegaan, sloot ik de vensters en de deuren van het huis goed af, en haastte me naar de kelder. Zo opgewonden was ik, dat ik me onderweg bezeerde aan de scherpe, stenen trappen, en toen ik uiteindelijk beneden arriveerde, tastte ik naar mijn kaars en naar de lucifers, maakte licht, maar schrok me haast een ongeluk: op de stoel bij het tafeltje zat inderdaad… de vrouw uit het gat.
Het leek alsof ze mij al een tijdje opwachtte, ze had iets onheilspellends in haar blik, ze zat daar blijkbaar al geruime tijd.
“Gij weer…”, bracht ik eruit, en pas dan realiseerde ik me dat mijn woorden bijster vijandig klonken. Zij wist nu zeker dat ik haar beschouwde als een ongenode gast. Het hol lag open en een soort nevel leek eruit op te stijgen en hij verspreidde zich in de kelderruimte, leek traag over de vloer te kruipen, en voelde koud aan, aan de voeten en de enkels.
“Hoe is het met uw vrouw?”, zo vroeg ze plotseling, geheel onbeschaamd en tot mijn woede.
“Bemoeit u zich niet met mijn vrouw!”, repliceerde ik, en ik voelde dat ik kwaad werd, en dat mijn boosheid mij dreigde te overmeesteren.
Zij lachte alleen maar.
“Moge de duivel u halen!”, beet ik van me af.
Toen ging zij overeind zitten, ze legde haar magere knokkels op de tafel: “De duivel, zegt gij? Denkt gij misschien dat de duivel niet bestaat? Zeg dat drie keer, en hij staat hier!”
“Scheer u weg!”, zei ik, “Kruip terug in uw hol en kom nooit meer terug! Ik zal u dat trouwens onmogelijk maken. Morgen vul ik deze hele kelder op met beton!”
Ik meende het, maar weer schokschouderde ze: “Dat zal niet van een leien dakje lopen, beste vriend! Zijt gij gelovig? Ja toch?” Ze leek mij uitdagend aan vanuit nu welhaast zwarte ogen.
“Wat heeft dat ermee te maken?”, wierp ik tegen, en tot mijn angst stelde ik vast dat ik haar niet gewoonweg kon negeren: “Gij hoort hier niet te zijn, en gij hoort mij zeker niet te ondervragen!”
Ze leunde nu weer rustig achteruit, ze wist dat ze mijn nieuwsgierigheid weer had gewekt, en dat ik weten wilde wat ze doen kwam.
“Jaja”, ging ze zelfzeker door, “de duivel is er mee gemoeid!”
“Praat uit de middeleeuwen!”, antwoordde ik: “er bestaan geen duivels; het kwaad is niets anders dan een tekort aan het goede!”
Dit waren de woorden van Sint-Augustinus, de grote kerkvader; hij leek me persoonlijk ter hulp te komen; en wat kon zij hier nog tegen inbrengen, dat kreng uit de hel?
“Augustinus heeft het bij het verkeerde eind”, zei ze koel.
“O, ja? Augustinus is een kerkvader”, antwoordde ik zelfzeker: “als hij het fout heeft, dan is de kerk feilbaar, en dan heeft het geloof er gelegen!”
“Het katholieke geloof, bedoelt gij”, zo repliceerde ze nog rapper dan rap: “maar dat heeft er allang gelegen!”
Ik schrok, zag haar zelfzekere blik, ze wachtte tot ik met hijgen ophield. Dan ging ze weer voorover leunen: “Het is trouwens in dat verband dat ik hier ben”, verklaarde ze.
Wist zij dat ik geboeid was door theologie? Ik wilde alvast weten wat ze zeggen zou. Een mens maakt het niet elke dag mee dat een gedrocht uit een gat uit de aarde kruipt om hem de les te komen spellen. Ik zou niet aarzelen om de kelder vol te gieten met beton, maar ik wilde haar eerst aan het woord laten, ik wilde weten wat ze dan te zeggen had. Daar kon ik tenslotte niets mee misdoen, bedacht ik.
“Ik kom u het bewijs leveren dat de duivel echt bestaat”, zei ze tenslotte. “Gij zijt toch gelovig, niet? Hoe kunt ge dan geloven in God, en niet in de duivel? Hoort toe en zeg daarna wat gij ook maar zeggen wilt, maar hoort eerst toe!”
“Ge krijgt vijf minuten”, zei ik, en ik hoorde dat mijn stem beefde.
Ze ging nu opstaan, begon te wandelen over de hele breedte van de kelder, alsmaar heen en terug, van muur naar muur. Deze dans die haar woorden begeleidde, was als een ruimtelijke vertolking van wat er in haar woorden schuilging: de gang van muur naar muur, het niet meer kunnen ontsnappen, het fatale dilemma, het raadsel, dat zich door een gat in mijn keldervloer naar boven had gewerkt en dat zou blijven, ook al vulde ik hem morgen op met honderden tonnen harde beton.
“Gij weet”, zei ze, “dat het christendom de godsdienst van de vergeving is? Mag ik u eraan herinneren dat Christus zelf komaf maakt met het joodse principe van de wraak… een oog voor een oog, een tand voor een tand?"
Waar stuurde zij op aan? Blijkbaar verwachtte zij geen antwoord van mijnentwege; zij ging gewoon door: “Als gij, amateur-theoloogje, daar al eens hebt over nagedacht… dan zult ge ook wel inzien, zo mag ik wel aannemen, dat het christendom zijn bestaansreden zelf aan niets anders ontleent dan... aan het wraakprincipe, toch?”
Toen ze dat zegde, liep ze met de rug naar mij toe naar de tegenover liggende muur toe en draaide dan met een ruk het hoofd: “God zendt zijn Zoon om te betalen voor onze zonden: Hij komt onze schuld vereffenen!”, sprak ze streng, en ze benadrukte de woorden ‘betalen’ en ‘vereffenen’ zo sterk dat telkenmale haar stem oversloeg en pijn deed aan de oren.
Ze bracht me in de war, ze ging te snel, maar ze pauzeerde niet.
“De vraag is natuurlijk aan wie die 'schuld' van ons vereffend dient te worden. En luister nu goed!”
Ze hield halt: “Indien we mogen aannemen dat het christendom vrij is van tegenspraak, dan moeten we natuurlijk ook beamen dat onze schuldeiser niet God zelf kan zijn, nietwaar? God immers is het vergevingsprincipe toegedaan!”
“Dat weet ik allemaal”, zei ik geprikkeld. Ze liet mij niet de tijd en ging door.
“Dat weet gij? Dan weet gij ook dat het bij de duivel is dat wij in het krijt staan”, zei ze: “Christus betaalt met zijn kruisdood een schuld van ons terug aan de duivel. Zo staan wij op onze beurt bij Christus in het krijt. Maar de eigenlijke schuldeiser is de duivel! Ja, Christus is vergevingsgezind… als we zijn offer maar erkennen…” Ze keek mij nu recht in de ogen: “Het christendom is ondenkbaar zonder de duivel!”
Wat zei ze nu!?
“Uw Augustinus slaat de bal mis”, zo zette ze haar dans voort: “de kerkvader heeft er gelegen, en zo ook de kerk zelf: het kwaad is niet zomaar een tekort aan het goede, het is de duivel in hoogsteigen persoon! Hij is het die genoegdoening eist!”
Ik stond als aan de grond genageld. Ze draaide zich naar mij toe en sprak, terwijl ze zich gedwee in de richting van het gat begaf en aan haar afdaling begon: “Uw vrouw is wakker. Ga nu maar terug naar boven, haast u… en tot morgen!”
Ik bleef staan toekijken tot ze helemaal in het gat verdwenen was, stampte haastig de aarde aan en legde de tegels op… de wonde. Ik blies de kaars uit, strompelde moeizaam de trappen naar boven, duwde de kelderdeur open en werd verblind door het licht dat in zijn schittering dit alles plotseling al leek herleid te hebben tot alleen maar een nare droom uit een heel ver verleden.
© J Bauwens 2007
(wordt vervolgd)
Gepost door: omsk op 21-03-2007 om 13:17
|
|
18-03-2007 - De onderwereld (6): De intrek in het nieuwe huis
De onderwereld (6): De intrek in het nieuwe huis
De rust keerde ten slotte weer, de zomer bloeide open en mijn huis geraakte af. Mijn vrouw die, zoals ik nog niet eerder heb verteld, een bijzonder fragiel wezen is — zij is dun als een riet, breekbaar als een vaas van porselein, en haar huid heeft de kleur van blanke marmer — was al die tijd bij haar moeder gaan logeren en, nu op het bouwwerk de mei was gestoken, bracht haar moeder haar terug, zodat zij op inspectie kon, om alles in te richten, om de aanschaf van huisraad te plannen en nog vele andere dingen meer in orde te brengen. Blij was Lotte met het huis, en zij ging in het tuintje staan, keek van daaruit naar het torentje op, en dwaalde uren door de salons waarover ik nog niet vertelde dat ik ze al had volgestouwd met mijn beelden.
Ik vertelde nog niet dat ik beeldhouwer ben. Ik leerde de stiel toen ik nog kind was, van een oudere dorpsgenoot die in arduin kapte, en soms ook in marmer. Hij maakte monumenten en hij leefde er ook van, meestal dan van grafstenen en gedenkplaten, ornamenten voor stadhuizen, stijlvolle inscripties voor naamplaatjes van notarissen en hoogwaardigheidsbekleders, maar ook nu en dan kapte hij een echt, levensgroot beeld.
De beeldhouwersstiel is geen lachertje: stenen zijn voor ons het goud der aarde, maar zij zijn even vaak een nachtmerrie, bijvoorbeeld als de tijd dringt en een bestelling dient te worden afgeleverd, terwijl nu eens de monnikskapspier en dan weer het polsgewricht, omzwachteld als zij zeer vaak zijn, de veeleisende arbeid bemoeilijken. Maar al bij al is het een zegen als men dat kan doen waarvoor men denkt in de wieg gelegd te zijn. Het was trouwens de bijzonder hoge opbrengst van een marmeren beeldengroep geweest, waaraan ik vele jaren had gewerkt, die ons had toegelaten om dit huis te bouwen. Geheel onverhoopt eigenlijk, want tot op het ogenblik van het plotselinge, buitenlandse en bovendien nog anonieme bod, konden wij met moeite eten.
Maar het kan verkeren, en zo zag ons stulpje er nu uit als een kasteel. De voltooiing van dit oeuvre, dat, in alle bescheidenheid, dan toch ook de naam van beeldhouwwerk verdiende, viel dus samen met de intrede van deze allermooiste zomer zoals wij er in tijden geen meer hadden beleefd. En op de wangen van mijn vrouw verscheen zowaar een blos — haar moeder merkte het als eerste op, en het was een gebeurtenis die ons, onzeglijk meer nog dan het huis, tot een intiem geluk stemde.
De ganse dag versjouwde ik beelden, en dit in gevolge de instructies die op de inspectie volgde: de engeltjes verhuisden van de inkomsthall naar de slaapvertrekken en de getrouwe kopie van de David van Michelangelo — weliswaar op halve grootte — kwam, herdoopt tot golem die dit pand bewaken moest, in onze hall te staan; het halfverheven stuk dat de muzen verbeeldde, moest naar de salon, waar ook de vleugel prijkte, die zij dagelijks zou bespelen als zij niet te bed lag, en de beeltenis van Maria kreeg een plaats voorlopig in de keuken. En toen de avond viel, stond ook het huisraad op zijn plaats: de kasten en de tafels en de stoelen, het grote bed, waar zij helaas toch heel veel van haar tijd spenderen zou, het bureau en de ontelbare andere zaken. Wanneer haar moeder ons tenslotte alle geluk wensend verliet, waren wij alleen: ik, bezweet, en zij, met nog die roze blos op haar tedere, blanke wangen.
Wij waren gaan zitten in het tuintje, het was nog steeds zwoel, op de tafel stonden een karaf met appelsap en twee hoge glazen, en daar lag ook een donkerblauwe druiventros te glimmen in het maanlicht. Zo zwijgend zittend genoten we van het uitzicht op ons huis, en zij vertelde welke plannen zij nog had, totdat zij, zichtbaar heel vermoeid, vroeg dat ik haar naar bed zou dragen.
De nacht was diep en veel mystieker nog dan hij tot dan toe, met haar, altijd was geweest. Wij dreven urenlang op immense schepen door de tijd en, met de streling van de eerste augustuswinden, kwamen nimfen ons vervoegen in de lakens van satijn, terwijl wij hoorden hoe in ’t veld de saters dansten en de halfgoden met hun boden die waren afgedaald omdat een gulle en tevreden hand de hemelpoorten had geopend. Ja, het was een regendans die ons een uur lang met friste overspoelde en die de moeiten van de dag wegnam en ons de zegen gaf. En zo sliepen wij, als waren wij slechts één en ’t zelfde wezen, een reusachtig gat in een nieuwe en wederom goddelijke dag.
Een kleine correctie is hier op haar plaats: niet wij sliepen een gat in de dag, maar wel ikzelf deed dat. Want toen ik bij het ontwaken mijn ogen ontsloot, verwarmd al door de stralen van een hoge en vlammende voormiddagzon die door de open ramen met haar licht de witte beddenlakens in een vuurzee hulde, terwijl een welriekende tocht door mijn bezwete haren wuifde, merkte ik dat ik niet mijn vrouw doch een kussen omhelsde: zij moet zich bijzonder gezond hebben gevoeld, want zij was blijkbaar al een hele tijd op. Ja, ik ontwaarde nu ook de geur van sterke koffie, ik rekte en strekte me, liep naar de belendende salon, liet me achter de vleugel glijden en ontlokte aan de voorzichtige snaren de eerste zinnen van Perfect Day, al vol verwachting oogluikend de blik gericht op de keukendeur waar zij nu wel zou verschijnen om mij in dit spel der muzen bij te staan.
Maar zij kwam niet. Ik speelde het lied tot daar waar ik het kende, zoals ik het van haar geleerd had, en om niet in stilte te vervallen, herbegon ik, tot ik weer beland was op diezelfde plaats. Ik hield op, luisterde, maar hoorde geen geluiden.
Verschrikt veerde ik recht, spoedde me naar de keuken, waar inderdaad verse koffie stond te wachten in een kan, opende vervolgens de deur van de badkamer, die er nog onbetreden bij lag, dan de tuin in, het huis om, ik riep haar naam, “Lotte!”, riep ik, “Waar ben je? Lotte?”, toen ik plotseling aan de kelder denken moest.
Ik brak twee tenen zonder het te voelen toen ik mij rap naar binnen spoedde over de brede marmeren trap en met een ruk de deur van de kelder opentrok.
Voor mij stond zij, zichtbaar verschrokken: vanwege mijn onrust, maar er was nog iets anders aan de hand, de blos op haar wangen was vergaan, groot stonden haar ogen open.
“Lotte!” Ik drukte haar in mijn armen, wilde haar naar de keuken brengen, maar ze duwde mij plotseling van zich af, want zij had dringend iets te zeggen, en zij wees, nog steeds sprakeloos, met een lange, dunne, bengelende arm over de duizend stenen trappen die, als een klavier van alleen maar zwarte toetsen, in de afgrond van de kelder gleden.
“Lotte! Je bent toch niet naar beneden geweest!?”
Toen viel zij flauw, ik droeg haar naar het bed, vreesde het ergste en liet een dokter komen. Zij ijlde wat, doch er was geen gevaar.
“Zij mag geen trappen doen”, vertelde mij de dokter. “Het is verleidelijk natuurlijk, in jullie nieuwe huis… maar dat vraagt teveel van haar krachten, zij is niet gemaakt voor klauteren en klimmen… Mag ik u overigens gelukwensen met de nieuwe ‘stulp’…”, zo lachte hij, en hij klopte me bemoedigend op de schouder.
“Ik heb haar iets gegeven om te rusten, heb nu maar geen angst, meteen wordt zij weer wakker. En zeg haar dat ze ’t kalmpjes aan moet doen… Ik zal morgen nog eens komen kijken.”
Haar moeder was er intussen ook. Op haar beurt stelde ze mij gerust.
“Zo is zij nu eenmaal”, zei ze: “te zwak voor al die slommer, maar welke vrouw zou zich kunnen intomen… bekijk toch eens dat huis! Een droom is het, een droom…”
Zij ging bij het bed weg, schouwde door de ramen, over de met zon overgoten velden. Ik merkte hoe zij er spijt van had niet meer zo jong te zijn, maar toen zij haar nu zalig slapende dochter daar weer zag liggen, bracht ze haar beide handen naar haar mond om het geluk te verbergen dat zij voelde in haar plaats, en waarvoor zij zich onnodig schaamde.
Ze schrankte de tulpen die ze had meegebracht in een kristallen vaas, streek de gordijnen glad en drong er op aan dat ik nu wat zou eten.
“Je hebt gisteren een zware dag gehad, jongen”, zei ze: “er is geen reden tot ongerustheid, kijk, ze wordt al wakker… Lotte?”
Ik hield haar hand vast, haar ogen waren nog zwaar, blijkbaar van de inspuiting, maar de verschrikking van eventjes geleden
was geheel verdwenen en had nu plaats gemaakt voor een zalige lach.
Ze wees nu naar het venster, naar de tuin:
“Daar moet een gele parasol komen”, zei ze, “geel met witte strepen…” Haar ogen draaiden naar het plafond, dan keek ze mij weer aan: “Een luchter hier…”, zo wees ze, en toen viel ze weer in slaap, glimlachend als een engel.
© Jan Bauwens Serskamp 2007
(wordt vervolgd)
Gepost door: omsk op 18-03-2007 om 11:01
|
|
14-03-2007 - De onderwereld (5): Eenrichtingsverkeer
De onderwereld (5): Eenrichtingsverkeer
"Je kan er niet in", zei ze: "Je moet eerst dood zijn, en neerliggen in een graf, dat is de enige weg. Hierlangs kan je er niet in!"
Ik onderbrak mijn geniepige poging, klauterde het gat weer uit, trok ook haar naar boven tot in mijn kelder, en klopte het zand wat van mijn kleren af. Onmiddellijk greep zij weer naar de fles, dit keer zonder ook maar iets te vragen, en ze zette de tuit ervan aan haar smalle lippen, sloeg het hoofd achterover, de fles ondersteboven, en liet de wijn door haar keelgaten stromen. Wij weten weliswaar dat een mens slechts één keelgat heeft, edoch de huig bedriegt het zicht en het is licht gezegd dat twee dan beter klinkt.
Toen ik haar een poos beteuterd aangekeken had, gaf zij een uitleg, of wat daarvoor moest doorgaan:
"Ge kunt er echt niet in op die manier", zo herhaalde ze belerend: "het is heus niet zo simpel als ge misschien denkt."
Ze wachtte blijkbaar op mijn vraag, en ik zei:
"Een gat is dan toch zeker wel een gat!? Gij komt eruit, ge kruipt erin... en ik, zo zegt ge, ik kan er niet geraken?! Dat begrijp ik niet, het spijt me..."
"Ge ziet het niet zoals het is", zo ging ze verder: "Dit is niet zomaar een gat, ook al heeft het er alle schijn van; maar gij zoudt beter moeten weten: schijn bedriegt, is dat niet zo?"
Ik stond sprakeloos.
Ze nam nog een slokje en ging door:
"Het is een soort van... eenrichtingsverkeer", zei ze, duidelijk ontevreden met haar eigen uitleg, en ik zag haar ogen zoeken naar een andere.
"Die gaten, bedoel je?", zo vroeg ik.
"Tja...", zo aarzelde zij, "die gaten niet zozeer... de weg, bedoel ik... ja, de weg."
Diep haalde zij adem, ik beluisterde het borrelend geluid dat uit haar longen opsteeg.
"Ge komt er alleen maar via het graf", herhaalde ze, "maar eens ge er zijt, is de doorgang vrij. In de beide richtingen. Begrijpt ge?"
Ik begreep het niet, doch knikte eens teneinde haar nu niet te onderbreken. Het leek mij immers dat wat zij nu vertellen zou, iets heel nieuw was, iets dat geen mens nog had gehoord.
"Vergelijk het met een vogel", zei ze, en ik zag dat zij nu een beeld gevonden had dat mij misschien kon helpen te verstaan wat zij bedoelde.
"De luchten zijn ontoegankelijk voor mensen, is het niet?"
Ze keek mij onderzoekend aan: "Om de luchten te kunnen betreden, wat wij gewoonlijk 'vliegen' noemen, moet ge eerst een vogel zijn. En eenmaal ge een vogel zijt, kunt ge ook vliegen. Maar niet alleen vliegen, ziet ge: een vogel kan nog altijd naar de begane grond terug, begrijpt ge?"
Ik knikte, want dit kon ik wel verstaan. En toen ze niets meer zei, lanceerde ik mijn vraag:
"Bedoelt ge nu dat de doden, als het hen belieft, kunnen terugkeren naar..."
"De korst!", zo vervolledigde ze mijn zin. "Dat hebt ge goed gesnopen!"
Haar vergelijking had ik misschien wel gesnopen, maar nog steeds begreep ik niet waar het allemaal op sloeg. Zij merkte dat blijkbaar en daarom ging zij met haar uitleg door.
"Neem bijvoorbeeld water", zei ze: "water vloeit altijd naar beneden. Water kan niet opstijgen, nietwaar? Om op te kunnen stijgen, moet het eerst verdampen. Het water sterft dan, en gaat vervolgens op, als damp. Het kan weer regen worden, als dat zo uitkomt, maar dan kan het vanzelfsprekend wéér verdampen, ziet ge? De zaak is alleen dat de cyclus ooit een eerste keer moet zijn begonnen!"
"Neen, ik zie het niet", antwoordde ik.
"Het is nochtans eenvoudig", zei ze: "Kijk...", en weer greep ze naar de fles en nam een flinke slok.
"Om terug te kunnen keren naar de korst, moet ge eerst een keer gestorven zijn, één enkele keer, verstaat ge wel? Precies zoals dat water: water kan pas naar beneden komen als het eerst een eerste keer is opgestegen in de vorm van damp. Ja, pas dan kan het gaan regenen, en daarna kan het uiteraard weer verdampen, weer gaan regenen, en zo kan dat dan blijven duren. Maar dat lukt niet zonder die allereerste keer, ziet ge?"
"Is dat niet evident?", wierp ik op.
Ze spreidde nu een schaterlach tentoon en het goud van haar tanden deed mijn hele kelder oplichten: "Evident", herhaalde ze luidkeels, en dan nogmaals, maar dit keer haast fluisterend: "evident..."
Ze keek mij nu doordringend aan: "Ik weet wel hoe gij denkt", zei ze, en toen sloeg zij de blik neer en zij leek te verzinken in diepe gepeinzens.
Had ik iets verkeerd gezegd? Snapte ik het niet en had ik daarvan dan blijk gegeven? Ik deed een poging, terwijl zij wel afwezig leek, om wat zij gezegd had nogmaals door te denken.
Water kan pas terugkomen naar beneden als het eerst een keer is opgestegen in de vorm van damp. Ja, dat had ik heel goed verstaan. Verdampen is dan sterven, om het zo te zeggen. Eenmaal gestorven, kan men dus terugkeren... naar de korst. Om dan opnieuw te sterven en terug te keren. Maar zij maakte er nu een punt van dat dit proces, die cyclus eigenlijk, pas mogelijk wordt als men eerst een eerste keer verdampt, of dus gestorven is. Dit alles kwam mij voor als evident, maar het deed haar lachen toen ik dat zo zegde. Nu, wat betreft het water, leek het mij alvast evident dat dit eerst een eerste keer moest zijn verdampt vooraleer het in de vorm van regen terug kon komen, dan weer verdampen kon, weer regen worden en zo verder. Wat kon zij dan bedoelen?
Op dat moment keek zij weer op, en sprak:
"Het is evident, ja. Maar dat is de zaak niet, ziet ge. De zaak is dat ge dit pas evident gaat vinden als het eerst een eerste keer met u gebeurd is, verstaat ge dat? Zolang ge niet gestorven zijt, wéét ge immers niet dat ge, eenmaal dood, gewoon terug kunt komen."
Ik schrok.
"Ja, gij weet het nu natuurlijk wel, omdat ik het u gezegd heb... maar stel eens dat ik niets gezegd had: had ge mij dan niet gehouden voor een levende, zonder meer?" En zij lachte weer heel breed twee rijen grote, gele tanden bloot.
"Maar... gij komt uit de grond!", zei ik.
Ze liet me niet de gelegenheid om mijn zin af te maken en riep in protest:
"Ja, ja, natuurlijk, ik kom uit de grond, mijnheer! En zie mij hier nu staan! Maar dat is uw schuld, niet de mijne! Ik zou nooit zo hoog zijn gaan wroeten, indien gij niet zo'n diepe kelder had! Gij hebt veel en veel te diep gegraven! En geef nu niet de schuld aan mij!"
Ik wist meteen dat ik een gevoelige snaar had geraakt, en ik boog het hoofd, dorst niet meer op te kijken. Het was dus eigenlijk... een ongelukje: ik had niet hoeven te weten wat ik nu wel wist.
"Er is nu niets meer aan te doen", zei ze nu droog: "ge zult er moeten mee leren leven."
Ik keek haar aan, zij had iets dreigends in haar blik, en sprak:
"En denk nu maar niet dat ik u verder met rust zal laten, want dat zoudt gij wel willen, nietwaar? Dat ik terug kruip in dat gat, en er nooit en nooit meer uit kom, niet?"
Ik antwoordde niet, ik sloeg alleen de blik neer.
"Wie de aarde omwoelt, zal het leven wekken!", zei ze, veelbetekenend: "En het leven dat gewekt werd, dat zal nooit meer slapen!"
Verstond ik haar goed, of bedoelde zij de dood terwijl zij nochtans zei 'het leven'?
Eén enkele misstap, zo begreep ik, kan volstaan voor het openen van de wereld van de dubbele bodems. En in tegenstelling tot de doos van Pandora, gaat deze wereld nooit meer dicht. Eénrichtingsverkeer, het is niet anders.
Zij stond op, de fles was immers leeg, en zij begaf zich naar het gat. Deze keer hield ik het voor geheel onbetamelijk om haar 'ondergang' aan te zien, en ik wendde mijn blik af. Edoch, uitvergroot in reuzenvormen toonden de muren van mijn kelder mij meedogenloos het trieste schaduwspel van heel haar wroeten, en het duurde, totdat het stil was weer, en helemaal verlaten. Ik nam de kaars, klom de ontelbare trappen op, recht naar de korst, en zette dan koers naar de top van mijn toren. De nacht was al gevallen toen ik boven aankwam, de dieren zwegen en er was geen maan te zien. Gauw kneep ik de vlam dood en ik begroef me in het stro.
(wordt vervolgd)
© J. Bauwens 2007
|
|
Gepost door: omsk op 14-03-2007 om 19:31
|
|
14-03-2007 - De onderwereld (4): Intermezzo
De onderwereld (4): Intermezzo
Duiken is een sport die heel wat oefening vraagt. De meest edele tak van deze sport is wel het parelduiken. Ooit maakte een groot schrijver over een parelduiker een verhaal. Een parelduiker vist een grote parel op, en hij is op slag rijk. Edoch die rijkdom brengt hem geen geluk. Uiteindelijk duikt de parel weer het water in.
En zij, zij dook de diepten in waaruit zij was gekomen. Neen, vallen deed zij niet want behalve misschien een witte uil die onraad rook, waren er geen engelen te bekennen om haar op te vangen. Zij liep gezwind de trappen af, in snelheid, en ik keek haar door beurtelings elk van de vier schietgaten na, totdat zij een stip geworden was die verdween onder de nevels. De sterren blonken aan het firmament, de verten bleven stil en het werd fris nu, in mijn toren. Ik draaide de verwarming ietwat hoger.
Hemel, toren, firmament. Witte uil in stille verten. Hemel, toren, firmament. En uiteindelijk vond ik de slaap.
Wie ooit in een hoge toren heeft geslapen, weet dat dromen opklimmen uit het binnenste van de aarde. Geen lava zit daar en geen metalen bol: de aarde, zij is vanbinnen hol. Alle graven komen in die holte uit, waar wij verzamelen na het leven op de korst. Geen hel is daar en ook geen duivel: het midden van de aarde is gewoon een bel, een bel met lucht en hier en daar wat water. Langs de muren sijpelt het water in de grote holte van de aarde, en in het midden is een bron waaruit de dromen komen.
Fris was ik allerminst in de morgen die volgde op die nare nacht. Ik joeg mij door het trappenhuis naar helemaal beneden, wilde mijn diepe kelder daar gaan inspecteren, doch verloor op mijn traject een schakel uit mijn DNA, zodat ik ter bestemming kwam in de gedaante van een mol die zien en spreken kon. En hier eindigt het vierde deel van dit verhaal — zoals men zien kan: kort, en zonder al te veel omhaal.
(wordt vervolgd)
© J. Bauwens 2007
Gepost door: omsk op 14-03-2007 om 18:41
|
|
14-03-2007 - De onderwereld (3): Het nachtelijk gesprek.
De onderwereld (3): Het nachtelijk gesprek.
Natuurlijk had ik wijn, daar: een grote kartonnen Aldi-krat had ik er heen gesjouwd, om de dorst te lessen na het klimmen, alsook twee bekertjes van puur kristal. Niet dat ik twee monden hebben zou, maar een mens weet maar nooit waar zoiets goed voor zijn kan. Ik durf te wedden dat zelfs de woestijnvaders indertijd twee bekertjes met zich droegen, want gasten zijn er overal, genood of ongenood, en wie kan beweren dat hij nooit dorst heeft? Wie kan een dorstige te drinken weigeren? Zelfs wie na ontelbare verkrachtingen en moorden het schavot beklimmen moet, mag nog eens drinken, ja, die krijgt zelfs een galgenmaal.
Gulzig verzwolg zij de ene beker na de andere van het druivensap, en al die tijd praatte zij niet, doch zuchtte zij enkel tussen de slokken door, zoals een zomers kind dat, in de hitte moe gespeeld, naar binnen in de koelte komt gelopen en dan aan het drinken gaat: water, glas na glas, met niet ingehouden keelgeluiden die de opperste deugd van het zich laven luidruchtig beamen.
Intussen keek ik wat angstig door de gaten in de diepten. Wat verlaten voelde ik mij, nu mijn witte uil het hazenpad gekozen had en onverwijld de nacht was ingedoken. Ik hoorde hem niet roepen in de verten, en ook alle dieren bleven in de wijde omtrek stil. Alleen de krekels en de torren schuurden met hun flinterdunne schilden tegen elkander en vulden op die vele duizenden eeuwen oude en bijzonder kunstzinnige wijze, de beker van de nacht met het meest nostalgische van alle liederen dat, niettemin elk schepsel het van bij zijn geboorte tot aan zijn stervensuur kan horen, gewoonlijk slechts het onderbewuste beroert: alleen op die schaarse eenzame momenten dringt het door tot het wakkere oor en horen wij dit lied als was het voor het eerst, en verstillen we erbij, en denken we vol weemoed aan die ontelbare kleine en onschuldige wezentjes die wij gewoon zijn te vertrappelen, maar die in alle bescheidenheid in feite de fundamenten leggen en in stand houden van onze zielen zelf. Zij begeleiden ons, en troosten, ook als alle hoop vergaan is en als het allang niet meer redelijk is om van iemand nog enige troost te verwachten.
"Dank u", sprak zij plots, haast fluisterend, en het schijnsel van de vlam van de kaars lag nu op haar met strepen aarde overdekt gezicht. Zij was nog steeds omkranst met het welig bebloemde lover en zij geleek op een godin uit lang verzwonden epen. Zij glimlachte warempel en haar donkergele, haast goudkleurige tanden glansden in de nu zachtjes doorheen de schietgaten in mijn torenkamertje naar binnen sijpelende nacht. Zij had mij bij de glimlach eventjes aangekeken met haar diepe ogen die wellicht de klaarte van de dag niet meer verdragen konden en die, gerust gesteld door deze grote duisternis die alles overheerste, een moment oplichtten.
Ik besloot te wachten tot zij rustig was en overwoog bij mezelf of ik haar zou vragen wat zij dan zoeken kwam, maar tegelijk bedacht ik dat ik dit in feite moeilijk vragen kon, want het betekende zoveel als het voorzichtige verzoek om zich terug te trekken, om dus terug te kruipen in dat gat, daar in die diepe kelder, terwijl ik het tenslotte wellicht was geweest die haar gewekt had uit haar slaap van eeuwen. Mensen staan er niet bij stil, maar er zijn meer werelden, boven en onder de aarde: wij reppen er nooit van, alsof zij inderdaad ook niet bestonden, en in alle ijver voeden wij ook de gedachte dat zij niet bestaan, tenzij in sprookjes, vertellingen en sagen. Angstvallig voorkomen wij dat zij ons ooit het pad zullen kruisen, en wij doen dit door ons te houden aan de niet geschreven regels die de orde dienen van het leven, het voor- en achter-leven inbegrepen, het leven op de aarde en dat van daarboven en daaronder. Daarom ook handelen wij zoals wij handelen: wij maken onze kelders niet te diep, en onze torens niet te hoog; wij houden maat in dat alles omdat wij de grenzen willen respecteren die vooraf gegeven zijn en waarbinnen meestal een sereen bestaan voor ons is weggelegd sinds het begin der tijden. Soms echter kan het wel gebeuren dat wij gulzig worden, of vreesachtig, terwijl wij nochtans weten dat deze ondeugden slechte gidsen op het pad des levens zijn: weg brengen zij ons van dat pad, en zo meteen zijn we vergleden in de diepten, worden wij door winden die als wenteltrappen naar de hemel draaien meegezogen over de wolkenschepen heen, of komen wij terecht in vreemde wateren welke slechts weinigen geheel doorzwemmen kunnen zonder van hun nat geheel doordrenkt te worden en te moeten druipen voor de rest van hun bestaan.
Ik bedacht dat ik mijn kelder inderdaad te diep gegraven had, dat ik dit beslist had moeten laten, maar nu er helemaal geen weg terug meer was, bleef mij geen andere uitweg meer dan de gevolgen van die betreurenswaardige vermetelheid met veel geduld te dragen. Ik keek het schepsel aan dat ik gewekt had uit haar diepe slaap, ik keek haar aan met nu bedeesde ogen, en ik begreep dat zij terug zou blijven komen, van heel onderaan mijn huis tot boven in mijn toren, en dan weer het gat in waaruit zij bij het vallen van de nacht weer op zou duiken. Kon ik plannen maken om de gangen van dit vreemde wezen eenmaal en voorgoed te fnuiken?
"Ik denk dat ik nu maar eens ga", sprak ze, na niets gezegd te hebben. Zij wankelde bij het opstaan, ik bood haar nog de binnentrap aan maar zij weigerde: met een ruk trok ze bij de klink het poortje open en zij dook naar buiten.
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
(wordt vervolgd)
Gepost door: omsk op 14-03-2007 om 06:41
|
|
11-03-2007 - De onderwereld (2): De toren.
De onderwereld (2): De toren.
Mijn nieuwe huis was nog niet helemaal ingericht, maar toch al comfortabel genoeg om in te wonen. Het was een bakstenen huis, een huis met ruwe bakstenen en hoge muren, voorzien ook van een torentje, en in dat torentje had ik voorlopig een kleine slaapkamer ingericht voor mezelf. Omdat er geen lift was, alleen trappen, diende ik elke avond weer de talloze verdiepingen op eigen kracht naar boven te klauteren vooraleer ik me kon te rusten leggen. Maar die dagelijkse inspanningen welke ik bij voorkeur leverde bij het zakken van de rode zon, bleven niet onbeloond. In het slaapvertrekje, onder de pannen, waren vier schietgaten voorzien - voor elke windstreek één. Deze waren vooralsnog niet beglaasd, zodat het daar een weinig tochtte, maar dat deerde mij niet in het minst, daar het zomer was, en de nachten mild waren, en soms zelfs zwoel. Wie ooit een torentje in de zomer heeft bewoond, of er tenminste heeft geslapen, zal weten dat, op de een of andere manier, de geuren van de bloemen des velds des avonds opklimmen langs de muren, om dan samen te komen op het hoogste punt dat zij bereiken kunnen. Het moet een natuurwet zijn die daar voor zorgt, zoals het ook een wet is die maakt dat konfituur- en honingpotten, na de oogst en de bereiding, op mooie rijtjes op de schappen van een keukenkast geplaatst, niettemin zij bij het deksel heel vakkundig afgesloten werden, klef worden aan de bodem, zodat men zich genoopt weet om regelmatig de kast te reinigen van de suikerige brij die deze wintervoorraad telkenjare nalaat als bij testament. Maar wij weten weinig af van deze en nog vele andere wetten, totdat we dan bijvoorbeeld eens het voorrecht genieten mogen om de nacht in zo'n torentje door te brengen.
De verrukkelijke bloemengeuren kwamen mij al op de trappen tegemoet, en tegen de tijd dat ik helemaal boven was, hadden ze mij zo dronken gemaakt, dat ik van geluk sprak daar geen grote ramen te hebben gepland, doch schietgaten, zo smal dat zelfs de zatste mens ter wereld er niet doorheen kon vallen. Maar misschien ook was ik gewoon dronken van de trappen, die immers wenteltrappen waren, zoals elkeen, ongeacht of die ooit een torentje heeft beklommen, wel zal verstaan.
Een brandtrap, ja, die was er ook: die is immers verplichtend vanwege de hedendaagse verzekeringspolis, zoals men weet, en de brandtrap van dit torentje, dat in de polis als het ware aanspraak maakte op een eigen paragraaf, liep, zoals men dat meteen kan raden en begrijpen, eveneens wentelend en in spiraalvorm langs de buitengevel van de toren. Naar omhoog, of naar beneden - naar gelang men het bekijkt.
De bloemen die, zoals men weet, hun eigen geuren volgen - en überhaupt seringen doen dat - waren na weinige dagen aldus mede langs de 'buitentrap' - zoals ik de brandtrap maar liever noem - naar de spits van de toren toe geklommen. Niettemin zij in geen tijd de treden van de trap geheel omwonden hadden en zij aldus een gevaar vormden in geval van nood, kortwiekte ik ze niet, en ik hoefde zulks ook niet te doen, aangezien de paragraaf waarvan hoger sprake, dit detail volstrekt over het hoofd had willen zien. De buitentrap voldeed aan alle eisen, en over mogelijke begroeiingen door seringen die een vluchtweg naar beneden fel konden bemoeilijken, werd er met geen woord gerept.
Ik moet ook nog vermelden dat ik nooit alleen was in mijn torentje - of moet ik het mijn 'slaapvertrek' noemen - aangezien in de nokken van het dak, en dus onder de zware pannen, in de spits van het torentje zelf, een grote, witte uil zijn intrek had genomen. Ik dorst niet te kijken of hij aldaar een nest aan 't bouwen was en ook had ik nog geen kennis van zijn gebeurlijke gade, maar dit terdege inspecteren deed ik niet teneinde mijn uitgelezen gezelschap in die eenzame en hoge top niet te verjagen. Bovendien paste de uil bij de bril die ik altijd bij me had, en vanzelfsprekend bij de kaars, niettemin de tocht telkens weer verhinderde dat zij langer dan enkele ogenblikken kon blijven branden. Maar aangezien men gewoonlijk slaapt met de ogen dicht, viel deze geringe tekortkoming allerminst als een belemmering van het comfort te catalogeren.
Het was juni, een warme juni-nacht was het, en de hele omgeving was die avond in een ietwat bevreemdende stilte gehuld geweest, alsof door de dieren in de wijde omtrek, die gewoonlijk allerlei geluiden maakten, een maansverduistering werd verwacht, ofwel een zeldzame stand der sterren, een komeet of nog een ander natuurverschijnsel waarvoor het menselijk oog in de loop van zijn beschaving volkomen blind geworden was. Zoals gewoonlijk kwam ik ook die avond helemaal dronken in mijn torentje aan, ik keek nog een keer, beurtelings, door elk van de vier schietgaten, die eigenlijk vooralsnog windgaten waren, liet mij dan vallen in het stro, en verdween in een diepe, of moet ik zeggen: in een hoge slaap.
Het was mijn uil die mij wekte, midden in de nacht. Het bijna geruisloze klappen van zijn enorme vleugels, deed mij de ogen opslaan en nog zag ik zijn silhouet tegen een windgat afsteken en hem dan koers zetten, de diepblauwe nachtelijke hemel in, met een herhaalde roep die stilaan wegstierf over de, zoals ik bij het opstaan merkte, volkomen met een witte nevel overdekte velden beneden.
Kort daarna merkte ik ook wat er gaande was. Immers, een gehoor dat in nachtelijke stilten heel ver speuren kan, vooral wanneer het zich op hoge hoogten bevindt, daar de geluiden net zoals de geuren immer klimmen, viel ook mij te beurt, en zo werd ik het ritmische zuchten gewaar van een wezen dat - ik zweer dat mijn oren mijn niet bedrogen - omheen de toren leek te zweven.
Nu eens aan de noordelijke kant, hoorde ik het, dan weer in het zuiden, en ik verplaatste mij van gat naar gat om alles goed te kunnen volgen. Ik wist dat ik mij niet vergiste: de geluiden, klaarblijkelijk als op de cadans van vermoeide stappen, kwamen heel gauw naderbij. En ja, dat moet ik nog vertellen: dat er in het torenkamertje een deurtje was, uiteraard: hoe anders kon men in geval van nood de buitentrap bereiken! Een eikenhouten deurtje was het, dat niet hoger dan tot de heupen kwam, en met een klink alleen maar aan de binnenkant, wat ook volkomen met de bedoeling ervan strookte. Weliswaar, ik opende het deurtje nooit, omdat het aanzicht van de diepten zelfs aan onverschrokken lieden de kriebels zou bezorgen. Het poortje gaf uit op de wenteltrap die zich langs de gevel om het torentje slingerde, en wat ik ook nog niet vertelde: die wenteltrap was eigenlijk bijzonder smal, niet breder dan de heupen van een mens, en verstoken ook van leuning of van balustrade.
Iemand begaf zich langs de buitentrap mijn torentje naar boven: mijn nauwkeurige en angstvallige observaties lieten mij niet de keuze om een andere dan deze conclusie te trekken. En weldra hoorde ik de zuchten heel dichtbij, aan de noordelijke kant, en dan in het oosten, aan de zuidkant, in het westen... Ik kromp ineen, telde mee de stappen die het deurtje naderden, en telde dan de zeven harde en opdringerige slagen van ongetwijfeld bikkelharde kneukels tegen het eikenhout van het torenpoortje dat nooit openging.
Ik bedacht hoe gevaarlijk het wel was om daar te staan, hoe glad ook met al die seringen die nu tot helemaal boven reikten en hoe vervaard een wezen wel moest zijn om deze tocht te maken, ongetwijfeld volslagen dronken van de bloemengeur. Medelijden overwon mijn angst, en ik greep naar de deurklink, maakte het slot open, trok het deurtje tot op een kier, en zag toen de met een bloemenweelde overdekte vrouw...
Ik opende het deurtje en zij dook terstond naar binnen, met de walmen die haar begeleidden. Snel sloot ik het deurtje, graaide naar de kaars, de lucifers, en maakte licht.
Zij zeeg zuchtend neerwaarts op de plankenvloer:
"Kent ge mij niet meer misschien?", zo bracht zij er onverwijld en wat verwijtend uit, en aan haar stem wist ik onmiddellijk wie zij was - geen twijfel mogelijk - en mijn bloed stolde in mijn keel. Mijn laatste greintje hoop dat ik mij nu wel vergissen zou, verdween in 't niets toen zij aan haar vraag meteen een mij welbekend 'bevel' toevoegde:
"Geef mij eerst eens die flas wijn! Vooruit, want ik heb grote dorst!"
(wordt vervolgd)
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
Gepost door: omsk op 11-03-2007 om 22:22
|
|
07-03-2007 - De Onderwereld
De Onderwereld
Ik dacht dat ik droomde, toen ze mij het verhaal vertelde, maar ik had het mis: alles wat ze vertelde zou wel eens kunnen kloppen. Luistert goed.
Dezer dagen loopt er op die natuurzender op TV een docu over vulkanologie. Een vrouwelijke geologe heeft namelijk een nieuwe theorie gelanceerd, welke zegt dat lava niet uit het binnenste van de aarde komt, maar gewoon uit de oppervlakkige lagen. De zogenaamde 'tectonische platen' waaruit de aardkorst bestaat, schuren voortdurend tegen elkander en dat veroorzaakt een enorme druk, een enorme hitte ook, die het gesteente doet smelten. Dat gesmolten gesteente - lava dus - spuit er hier en daar uit, en zo zien wij onze vulkanen aan het werk.
Zoals gezegd, geloven geologen of aardbodemkundigen dus dat lava uit het binnenste van de aarde komt. Op grond van de analyse van lava, denken zij te weten waaruit de kern van de aarde samengesteld is, en hoe het er daar 'uitziet'. Maar als de dame van de documentaire het bij het rechte eind heeft, slaan de geologen die bal sinds oudsher dus flink mis.
Het zou dan best kunnen dat de tekeningetjes van de aardkern, die wij zelfs in kinderboeken kunnen terugvinden, larie en apekool zijn. Is de aardkern een hete lavabrij met in het centrum een metalen bol ingevolge een bijzonder hoge druk? Voor hetzelfde geld kan men straks wetenschappelijk beweren dat het centrum van de aarde hol is, koel en droog, en dat daar mensen wonen: een soort mollenmensen.
En waar zouden die dan vandaag moeten komen? - zo zal men zich warempel afvragen, en terecht. Maar ook hierop zal de nieuwe wetenschap wel antwoorden weten te geven. Gelooft de mens sinds oudsher immers niet dat er na dit leven nog een leven komt? Een ietwat vager, mistiger en donkerder leven, maar toch.
Mythen en sagen uit veel oudere culturen gewagen van de Hades, wat wil zeggen: de onderwereld. Na de dood, zo beweren zij, wordt de mens naar de Hades gebracht. Hij moet een tocht maken over de Styx, een onderaardse rivier, waarbij hij geholpen wordt door een veerman met zijn vlot, en zo komt hij tenslotte in die onderwereld terecht. De grote dichter Dante zou indertijd de onderwereld hebben bezocht, en hij zou er ook zijn uit teruggekeerd. Volgens zijn verslag krijgt men er toegang toe via een holte in de aarde, gelegen ergens in een duister woud. Maar ik heb nog een ander verslag gehoord, en wel uit de eerste hand...
Ik had een huis gebouwd met daarin een diepe kelder. Niet voor de opslag van de wijn, zoals sommigen zullen denken, maar voor de koelte. Het klimaat verandert snel, en wanneer we straks temperaturen van veertig graden en meer krijgen in de zomer, en misschien ook in de winter, moeten we ergens heen kunnen om af te koelen. En, oordeel zelf: wat kan er nu meer koelte bieden dan een diepe kelder?
Het huis was af, en dus ook de kelder en, al was het nog steeds niet stikkend warm, ik wilde dan toch al eens van mijn kelder gaan genieten, en dus daalde ik erin af, langs de ontelbare trappen, "op het ritme van de echo van mijn stappen", tot helemaal beneden. Ik had een kaars meegenomen, en ook een bril, want het is uiteraard altijd donker op die plaatsen waar geen licht bij kan! Ook een stoel had ik meegenomen, en een krant, alsook één enkele fles met oude wijn. Kwestie van de tijd te doden, want ik was van plan er een etmaal te verblijven, en dit teneinde aan de lijve te kunnen ervaren hoe het er was en waarmee rekening diende gehouden te worden bij het in orde maken van die bijzondere plaats tegen de tijd van de schroeiende zomers.
Ik weet niet hoelang ik daar al verbleef, want de tijd lijkt wel stil te staan als er helemaal geen geluiden zijn behalve deze die men zelf maakt, maar ik herinner mij dat ik tenminste gedurende enkele ogenblikken moet ingedut geweest zijn, toen een geluid dat ik niet zelf had voortgebracht, mij plotseling wekte.
Eerst dacht ik dat iemand anders - al zou ik echt niet weten wie - de trappen afdaalde en in mijn richting kwam, maar ik had het mis: de geluiden, niettemin ze weergalmden in de hoge gewelven, kwamen niet uit de richting van de trappen. Ik moest eventjes zoeken, nam dus mijn kaars, liep wat in het rond, en dan merkte ik het, tot mijn afgrijzen, wat er aan de hand was.
De vloer van mijn kelder bewoog lichtjes. De tegels kwamen los te zitten, ze bewogen, alsof daar een mol aan het werk was. Ik schrok uiteraard maar, in de overtuiging dat ik het onschuldige en blinde diertje weldra kon begroeten, boog ik mij over de plek in kwestie, en sloeg de bewegingen gade - van niet te dicht ook, om de werkzaamheden niet te verstoren en de bezoeker niet te verschrikken.
Enkele tegels werden gewoon losgeslagen, klapten op en kantelden opzij. Daaronder bolde de aarde op, echt zoals dat waarneembaar is in de tuin waar een mol aan het werk is. Maar dit moest wel een bijzonder groot en krachtig exemplaar zijn, zo bedacht ik na enkele ogenblikken, gezien de hoeveelheid aarde die hier eensklaps werd omgewoeld.
Nog steeds in de overtuiging dat er niets kon zijn om angst over te hebben, ging ik dan toch enkele passen achteruit - zoals ik zei: om het dier niet weg te jagen als het opdook - ik zette mijn kaars op de vloer en plaatste er de krant voor, zodat ook de vlam niet voor verschrikkingen kon zorgen. Maar wat zag mijn oog? Een hand!
Uit de vloer van mijn diepe kelder stak plotseling een hand uit. Ze was vies en vuil, zwart van de aarde, en tastte in de leegte van de kelderruimte rond, en dan over de vloer. Vervolgens werd ook een voorarm zichtbaar en een mouw. Kleuren waren uiteraard niet te onderscheiden, omwille van de duisternis en ook omwille van de aarde waarmee het tentakel in kwestie was besmeurd. En dan, eensklaps, was daar een tweede hand, een tweede arm ook, en plots... een hoofd!
De handen wreven in de ogen, lichtten op, de mond opende zich en het... 'wezen', zal ik maar zeggen, keek mij aan en riep mij onverhoeds toe vanuit een quasi tandenloze mond:
"Maar blijf daar niet zo werkeloos zitten! Kom naar hier en help mij een handje! Ziet ge dan niet dat ik aan het sukkelen ben! Of zit ge daar te slapen misschien!"
Het gevoel van ontzetting en verbazing dat zich van mij meester had gemaakt, week wonder boven wonder voor het plichts- en schuldgevoel dat deze woorden ineens in mezelf teweeg brachten. De verontwaardigde toon van het bevel zal daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben... maar ik haastte mij dus naar het... 'gat', zal ik maar zeggen, en na een kortstondige aarzeling greep ik met de beide handen, de... 'handen', zal ik maar zeggen, van het wezen vast, en trok eraan uit alle macht.
Een mengeling van tegenstrijdige gevoelens en gedachten volgde daarop, zoals elkeen wel zal begrijpen, en ik ben er nog niet helemaal uit, en kan dus ook nog niet alles op een rijtje zetten en het rustig gaan vertellen... Laat ik dus volstaan met een poging tot een beknopte weergave van de dingen...
Het wezen dat aldus uit de aarde was gekomen, was inderdaad een mens - het was meer bepaald een vrouw; een vrouw van jaren al. Ik bood haar de stoel aan, want zij was buiten adem van het klimmen, of moet ik zeggen van het 'wroeten'... zij was zowaar een echte wroetvrouw... en ik gaf haar ook te drinken van de fles met wijn, wat zij niet afsloeg. Omdat zij wees naar het gat waaruit zij opgeklommen was, ging ik dat dus eventjes van naderbij bekijken, terwijl zij, intussen languit op de stoel gezeten zoals iemand die pas een heel eind hard gelopen heeft, zuchtend dronk.
Het gat leek wel een tunnel, en ik meende iets te zien van licht, daar beneden, al ben ik niet heel zeker, want heel lang durfde ik mijn ogen niet de kost te geven, het leek mij te riscant. Daarna vertelde het besje mij dat "zij wel allen zouden volgen", en haar woorden verontrustten me in die mate dat ik niet naar hun betekenis dorst te vragen. Haar verhaal was wat onsamenhangend, en het ging ongeveer als volgt.
Zij was gestorven in achttienhondervijfentwintig, zo vertelde ze, en ook deed ze een hele familiehistorie uit de doeken, die ik de lezer hier bespaar. Maar zij was dus gestorven en begraven op het 'karkhof' - zij zegde dus 'karkhof' maar uiteraard bedoelde zij 'kerkhof' - zoals iedereen - althans in die tijd - begraven werd. Na de dood en de begrafenis, zo vertelde zij, kwam ze tot de ontdekking dat het nog niet gedaan was. De manier waarop ze mij dat zegde, imponeerde mij, maar ik kan het nu niet herhalen want ik ben nog te verward, zoals u vast en zeker zult begrijpen. Alvast werd het mij duidelijk hoe geschrokken zij wel moet geweest zijn toen zij dus abrupt moet zijn gewekt uit de waan van de eeuwige rust waarnaar zij zo te horen steeds vurig had verlangd. Zij werd daaruit gewekt door een 'gewroet', jawel, van iemand die haar ergens van onderuit 'wekte' en haar aanspoorde om mee 'af te dalen'. Af te dalen naar nog dieper dan het graf dus.
Ze beschreef mij dus de verwondering waarmee zij vaststelde dat zij de ander volgde naar 'beneden'... en aldus uiteindelijk terecht kwam in wat zij ook de 'onderwereld' placht te noemen.
"Het is niet zoals men het zich misschien zou voorstellen", zo ging zij verder, haastig pratend alsof haar tijd alsnog beperkt was: "Het is ook hol daar, daar beneden, ja, hol is het daar, en groot", zo zei ze, en haar ogen draaiden rond terwijl ze aldus sprak, ze tolden rond...
Ik werd er zelf draaierig van. De beschrijvingen kan ik nu niet weergeven, dat is voor een andere keer, als de rust zal weergekeerd zijn. Maar hoe het afliep, in mijn kelder, dat wil ik wel nog kwijt.
Toen zij dus haar verhaal gedaan had, en de flas wijn - zij zegde 'flas', maar uiteraard bedoelde zij 'fles', telkenmale ze mij toeriep: "geef mij die flas nog eens"... - tot op de bodem leeg was, en de kaars nog slechts een stompje, hielp ik haar gedwee weer in het gat. Zij zegde geen gedag, alsof haar weggaan helemaal niet definitief was, en misschien was het dat ook helemaal niet, want had zij niet iets verteld over een 'terugkomen met zijn allen'? Hoe dan ook, ik hielp haar in het gat en heb daarna, volgens haar eigen instructies en haar herhaaldelijke aandringen, de aarde heel goed aangestampt, de tegels op hun plaats gelegd en de voegen tussen de tegels mooi gevuld, zodat van haar bezoek wel niets meer zal te merken zijn voor al wie deze kelder ooit betreden zullen. Vertellen zal ik niet aan anderen wat hier gebeurd is in dit ene uur waarop de tijd wel stille leek te gaan staan omdat het zo stil was dat alleen de eigen geluiden konden worden gehoord en verder niets meer. Neen, ik zal het aan geen mens vertellen, op tijd en stond zal men het allemaal wel zien, hoe de zaken lopen, hier op aarde: op de korst, en ook daaronder, waar dus een hele wereld, een onderwereld schuilgaat, die op de dag des oordeels weer naar boven komen zal. Uitgerekend op de dag dat alle mensen diepe kelders graven zullen om daarin weg te kruipen en zo te ontkomen aan de hitte van de zon.
© Jan Bauwens, Serskamp, 7 maart 2007
Gepost door: omsk op 07-03-2007 om 21:19
|
|
13-02-2007 - Het Credo
Het Credo
Ik heb me door de enge pijpen gewrongen, tussen de ijverige en naijverige insecten met hun zwarte aktentassen, antennetjes en angels, en ik heb geen engelen gezien, doch duivelse figuren, schaduwen die nooit in het licht komen dat immers veel te straf voor hen is, en dat ze alleen maar zien als een straf op het einde der tijden. Mijn longen begaven het haast, zo kort van adem werd ik, en dat voelde ik in mijn pootjes, die de trappen en de roltrappen beklauterden in een duisternis alleen verlicht met elektriciteit, met buis- en neonlampen die eigenlijk niet branden doch flikkeren, zo snel dat haast niemand zich eraan stoort, tenzij ikzelf, die er gek van word. Maar de onderaardse pijpen zijn lang en worden steeds langer; een steeds groter stuk van onze dagen en van gans ons leven slorpen ze op, zodat wij op de duur haast full-time onderaardse wezens zijn geworden, wij, arbeiders, wij, dienaren van geen mens die nog weet welk goed - de economie, de welvaart, de status...
Help mij een beetje, zo bad ik alsmaar tot mijn engelbewaarder, want vandaag geraak ik door de pijp niet heen: er is te weinig lucht, er is geen zuurstof meer, geen licht, geen lucht, het is alleen maar happen, snakken, op de tenen lopen tegelijk, verdrinken eigenlijk. Geen engelbewaarders te bekennen in de hel - niet één. En, aldus amechtig verder klauterend, kwam als in een vlaag van nostalgie die als een klauw meedogenloos de ingewanden uitwringt, de lang geleden kindertijd terug, de veelbelovende tronies met hun versjes van: "je moet hard studeren, dan heb je het later goed." Enfin, dit is dus later, dit is goed, voor ons allen, voor u en ook voor mij: het klimmen door de pijpen die door het zuurstofgebrek wel volgestroomd lijken met een zwarte, kleverige brij. En nu en dan valt er eens iemand af, net zoals het er in onze kinderlijke spelletjes aan toe ging: iemand die plotseling obstakel wordt in de stroom, iemand die knielt en die de nutteloos geworden aktentas waaraan hij zich al die tijd heeft vastgeklemd, laat vallen, met de beide handen naar het hart grijpt dat onder kleren, huid en ribben zit, en valt, en ligt, en roerloos liggen blijft - een obstakel, hartmassage, sirenes, hospitaal en dan: lijkenhuisje, mis of geen mis, kerkhof, schroothoop, door de molen, fijngemalen, in de oven, luchtbezoedeling, klachten van omwonenden, heisa, nieuws, sensatie...
Mijn handen trillen, mijn rechter klauw omklemt het handvat van de tas - plastic - hoe lang ik het nog houden kan, ik weet het niet, mijn zicht wordt slechter, het beeld vult zich met zwarte vlekken op, het suizen in de oren, eerst luid, dan niets meer, en het hart is nu het centrum van de hele wereld: het hart in de pijpen, krijst.
Wij zijn terecht gekomen in een vreemde ruimte, het is hier stil, alles lijkt van hout, met hout omzoomd, behangen, geurend naar boenwas ook en alleen het schuiven van duizend glanzende schofjes in eikenhout vult nu de stilte, alleen het glanzen van opgeblonken, edel hout, in een diffuus licht dat doorheen glasramen valt, gedempt, niet pijnigend, en zeker afkomstig van een milde zon - onrechtstreeks licht in deze... kamers. Het is niet zomaar een kist, niet zomaar een graf: dit is een ganse ruimte met een ondergrondse zon - een ruimte met vele kamers, allemaal in hout, in alle kleuren van de regenboog, maar dan gedempt, niet pijnigend doch zalvend en verfrissend. Dunne klanken van een hexachord hoort men hier zelfs, en kleine klokjes in een verte die toch heel nabij moet zijn: het leidt geen twijfel dat het zondag is voor eeuwig nu, en wij gaan op verkenning, als door lichte vleugetjes gedragen.
Hier worden de doden bewaard die wat grootsprakerig waren, zo zingt een engeltje, wijzend naar een gat in een kast, een soort geheime ruimte die wel heel hol klinkt nu, en diep: nu moeten zij hun eigen echo's beluisteren, zo zingt het engeltje: ze moeten ze analyseren, erover doctoreren, waarna hun werk wordt bijgezet in de catacomben van de geest, want elk heeft hier zijn eigen recht, dit is niet zomaar een hel, herinner u namelijk uit de boeken, dat het God zelf is geweest die alles schiep en zegde dat het goed was. Wat verderop, en achter een brandglasraam, zitten zielen te ademen die veel gelogen hebben: zij zien nu alles in één kleur, al naar gelang hun leugens, zo zingt de engel verder. En zo brengt hij mij van schuif naar schuif, van kast naar kast, van kamer naar kamer en van zaal naar zaal, in dit wel eindeloos lijkende land dat ondanks alles troost vindt in een welriekendheid die zelfs in de prachtigste bloementuinen op de aarde niet kon worden bespeurd.
We zijn er haast, zo zegt het engeltje dan: neem nu uw vleugeltjes maar af, je hebt ze nooit meer nodig, want dit hier, is jouw plaatsje, zie. En wij staan voor een raam dat uitgeeft op een kale vlakte, zo uitgestrekt dat men nog moeilijk zou geloven dat er nog iets meer kon zijn dan dat. Het engeltje is weg, ik zie een puntje uit de verte naderen, en als het dichterbij gekomen is, herken ik hem: de hooiwagen!
Er is geen ontkomen aan, ik moet erop, want hij rijdt zo meteen weer weg, en als ik deze laatste trein mis, dan ben ik voorgoed verloren. Een speld in een hooiwagen zult gij zijn, tot het einde der tijden, zo staat het op het etiket, dat in serie is gedrukt, in ongetwijfeld vele miljarden exemplaren. De tijd die rest, is nu de eeuwigheid, en even eindeloos is de ruimte: een gans firmament voor elke menselijke ziel, dat is de straf waarmee wij zijn bedacht geworden. Geen vader of geen moeder meer, geen kinderen, mensen, beesten, spinnen, pijpen, duisternis of licht. Alleen het kriepen van de assen van de grote wielen van de kar, in het droge zand onder een egaal grijze hemel. En af en toe iets als een heel dun en hoog en scherp geluidje dat aan de speld ontspringt, telkenmale wanneer zij huivert voor het eindeloze niets.
Maar de hoop is gebleven: de goede hoop, dat dit 'gerinkel', dit pieptoontje, dit haast onhoorbaar trillinkje - wie weet - zal dragen over de vele mijlen van het dorre zand, doorheen het dikke, dreigende wolkendek, doorheen de misschien wel kristallen atmosfeer, de sterrenhemel en de eindeloze melkwegstelsels, tot buiten dit universum - op de een of andere manier - om dan een ander universum naar binnen te dringen, en daar opgevangen te worden, vele lichtjaren, lichteeuwen, licht-lichteeuwen later - opgevangen door een tweede speld. De hoop dat dit gebeuren zal, zorgt voor de tijdspannes van kalmte van de speld, telkens tussen twee trillinkjes door. Het is onbegonnen werk, weliswaar, om zo door de dood heen te moeten, maar als er geen alternatief is, dan is dit al heel veel. En wij weten het allen en wij moeten het beamen: waar hoop is, is leven.
En de huiveringwekkende trillinkjes inspireren: zij brengen ons een lied te binnen, en meer bepaald het Hexachordum Appolinis van Johann Pachelbel, dat precies uit het in vele licht-licht-lichtjaren verzameld getinkel van speldjes, elk in zijn eigen universium, werd gewonnen, geordend en tenslotte opgevoerd. Alle tijd van de wereld hebben wij nu, om de wonderbare melodie te reconstrueren in ons hoofd - de speldekop - en te beluisteren vanbinnen. Als God bestaat, alwetend en almachtig - God, die doorheen de tijdloze tijden meeluisteren kan met de roodgloeiende kopjes die als sterren aan de ontelbare firmamenten staan - dan zal precies dit lied Hem op den duur verleiden. En ook al weet Hij dat de prijs voor wat Hij nogmaals doen zal, bijzonder hoog is - dat het ondanks alles tenslotte weer uitlopen zal op ondergrondse pijpen, verstikkingen, schaduwen en demonen: de melodie zal Hem verleiden, en Hij zal met scheppen herbeginnen. Het credo heeft geen alternatief.
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
Gepost door: omsk op 13-02-2007 om 11:51
|
|
12-02-2007 - Muziekpartituren
Muziekpartituren
Piano, Harpsichord, Klarinet, Gitaar enz.
(Alle partituren kunnen kostenloos gedownloaded worden voor niet-commerciële doeleinden)
Adres: http://www.bloggen.be/partiturencharles/
Gepost door: omsk op 12-02-2007 om 12:21
|
|
10-02-2007 - Spiegels
Spiegels
Wie Google Earth aanklikt, komt in de verleiding om te gaan geloven dat hem een totaaloverzicht over onze wereld te beurt valt. De bol draait, een locatie wordt ingetikt, het virtuele ruimtetuig waarvan men zelf de piloot is, duikelt recht op zijn doel af. Het continent komt nader bij; meren, rivieren, gebergten worden zichtbaar; steden verschijnen, voorzien van hun namen, en ook akkers, percelen, straten, gebouwen.
Uiteindelijk kun je ook inzoemen op jezelf. Ja, nog heel even en je kan jezelf daar zien zitten, op het scherm. Tegelijk ben je diegene die kijkt én diegene die bekeken wordt. Je bent jager én prooi, subject én object, kenner én gekende, vraag én antwoord. Google Earth, en het ganse internet - het computerscherm - blijkt niets anders dan een banale spiegel.
Het spiegelbeeld ben je zelf, zoveel is duidelijk, maar toch val je er niet mee samen.
“Kijk!”, zo schreeuwt de aapmens het uit, terwijl hij zich buigt over een waterplas: “Kijk, dat ben ik!”. En hij kijkt, en ziet zichzelf.
“Waarlijk”, lacht hij: “er is geen twijfel mogelijk!”
Hij heeft zichzelf voorwaar gevonden.
Maar de pret is van korte duur: op het ogenblik zelf dat hij zijn hand uitsteekt teneinde zichzelf ook te kunnen betasten, en zich zo andermaal te vergewissen van zijn wonderbaarlijke vondst, breekt plotseling de waterspiegel aan scherven. Het vermeende ‘ik’ dat tegenover het ‘zelf’ staat, heeft een even groot aandeel in die teleurstelling, daar het precies hetzelfde doet als diegene van wie het spiegelbeeld is.
Een ogenblik lang vraagt de aapmens zich af of hij dan misschien niet het beeld is van de aap in de plas.
Wie weerspiegelt wie? Wie is eerst? Wie is origineel en wie aapt wie na?
De mens heeft zich ontdubbeld. Hij zoekt zichzelf, doch op het ogenblik dat hij gelooft zichzelf gevonden te hebben, breekt hij in stukken.
Hij vindt stukken van zichzelf terug in de spiegel, op het computerscherm, op teevee en in de straten van de stad.
Die laatste stukken noemt hij ‘medemensen’.
“Wie was eerst?”, zo vraagt hij zich af: “Mijn medemensen of ikzelf?” En hij bekijkt zijn soortgenoten, in de spiegels, op de schermen, in de straten van de stad.
“Wie aapt wie na?”, zo vraagt hij zich af. “En wie heeft deze spiegels dan bedacht?”
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
Gepost door: omsk op 10-02-2007 om 18:09
|
|
22-01-2007 - Absolute macht Absolute macht
Toen ik het tikken van de hangklok begon te horen, wist ik dat hij iets heel serieus ging zeggen. Hij boog het hoofd en zei: "Ik voel me schuldig".
Ik liet de woorden kennis maken met de stilte vooraleer ik antwoordde:
"Je voelt je schuldig, zeg je? Je bent het!"
Hij hield het hoofd gebogen maar sloeg de ogen op, waarmee hij me te kennen gaf dat ik ofwel te ver was gegaan, ofwel dat ik hem nu wel wat meer uitleg verschuldigd was, en dus viel ik maar verder met de deur in huis.
"Je bent een burger, nietwaar? Wel... natuurlijk heb je dan schuldgevoelens, en zeker en vast ben je dan schuldig!"
Hij kon klaarblijkelijk op geen enkele manier raden waar ik op aan stuurde want hij ging nu achteruit zitten in de zetel en van het gebogen hoofd en de zelfverwijten was plotseling niets meer te bekennen.
"Mensen voelen zich schuldig, en ze weten niet waarom", zo begon ik.
Hij haalde eventjes zijn schouders op, en ook zijn wenkbrauwen.
"Als we schuldgevoelens hebben, neigen we ertoe om dat aan onszelf toe te schrijven", zei ik, "en dat is vanzelfsprekend niet abnormaal: het geweten is een zeer werkzaam ding, het eigent zich terecht voorrang toe en het heeft altijd het laatste woord..."
Enige argwaan was nu in zijn blik te bespeuren, maar hij bleef aandachtig toehoren.
"Jammer genoeg", zo ging ik verder, "kent het zijn eigen grenzen niet."
"Ik zie niet direct wat je bedoelt", zo onderbrak hij me.
Ik schonk zijn glas nog eens vol, vulde ook het mijne bij, en nam een slok:
"Het behoort tot de begrensdheid van de mens dat hij zijn grenzen nauwelijks of zelfs helemaal niet kent", zo stelde ik, om maar met een algemeenheid te beginnen, en zijn vragend gezicht verplichtte me om er een voorbeeldje bij te halen.
"Wij stellen waarom-vragen, we willen de oorsprong, de oorzaak, de bedoeling, het uiteindelijke doel van de dingen kennen, en dat is weliswaar een goede zaak, maar dat stellen van vragen... houdt nooit op. En dà t kan wel eens een probleem zijn, zie je."
Ik gaf hem niet de gelegenheid om er iets tussenin te werpen en ging door:
"Het is een aangeboren mechanisme, en zo heb je er heel wat. Vergelijk het met die proefdieren... misschien ken je ze: ratten in een kooi krijgen een electrode ingeplant in hun hersenen. Als ze op een hendeltje drukken, stimuleren ze aldus het genotscentrum in het brein. Sexueel genot. Eenmaal ze het verband tussen het indrukken van het hendeltje en het ervaren van genot, ontdekt hebben, weten ze van geen ophouden meer: ze eten niet meer en ze gaan ermee door zichzelf te stimuleren totdat ze dood neervallen."
Hij glimlachte eens.
"Neen, het is geen grap", verduidelijkte ik: "ik kan u de bron bezorgen, het is een heus experiment."
"Goed, je wil dus zeggen dat ook het denken en het geweten er nooit mee ophouden om een bepaald gedrag te vertonen", zei hij snel, "maar waar vandaan kunnen dan nog die schuldgevoelens komen, of die... schuld? Ik denk niet dat ik iets mispeuterd heb... of dan toch niet iets dat in verhouding staat tot die schuldgevoelens, die zo hardnekkig zijn dat ze mijn leven vergallen!"
Hij wond zich op - tegelijk om het onrecht vanwege zijn hardleerse gewetensfunctie, én om het mijne, want mijn uitleg bevredigde hem duidelijk niet. Hij nam nu zelf een slok van de wijn.
"De schuld kan van elders komen", zegde ik kalm, en ik wachtte tot hij zijn wenkbrauwen had gefronst. Nu ging ik zelf achterover zitten in mijn zetel en wachtte totdat hij zijn glas had neergezet.
"Een ander kan jou beladen met schuld", zei ik, en ik knikte herhaaldelijk om deze woorden kracht bij te zetten.
"En wie mag dat dan wel wezen, in dit concrete geval?", vroeg hij, kalm en met een teruggewonnen zelfzekerheid die dit keer betrekking had op mijn vermeende onwetendheid, niet op de zijne.
"Wie dat wezen mag?", herhaalde ik zijn vraag, en ik liet eventjes plaats voor de stilte. "Je hoeft niet direct te denken aan een welbepaald persoon, of aan personen zonder meer. In dit geval zeker niet, geloof ik. Wat zou je denken van... de staat?"
Hij schrok, zocht mijn woorden te plaatsen, maar zag nog steeds niet waar ik op aan stuurde.
"De staat!?", herhaalde hij, en dan nogmaals: "De staat, zeg je!?"
"De staat", zo bevestigde ik rustig, "heel letterlijk: de staat!"
"Dat moet je mij dan toch eens uitleggen", sprak hij met een geveinsde interesse, alsof hij er bij voorbaat zeker van was dat ik nu een hele scheve schaats ging rijden, en hij nam nog een slok, alsof hij aldus dit antwoord van mij onverhoeds had opgenomen en er snel de vreemde smaak van wilde teniet doen met het door te spoelen.
"De staat heeft een schuld van tienduizend miljard", zei ik, waarna ik eventjes wachtte teneinde hem de gelegenheid te geven zich een idee te vormen van de omvang van dat getal. "Je kan zo berekenen hoeveel de schuld per kop bedraagt..." Weer wachtte ik enkele seconden vooraleer verder te gaan. "Jij denkt natuurlijk dat dit iets geheel onpersoonlijks is? Het gaat inderdaad om een gedeelde schuld, maar... het is en blijft zoveel per kop. En jij denkt nu ook dat dit iets heel abstract is, niet? Welnu, dat is het net niét!"
"Tja", zuchtte hij: "dat is een zaak waar wij nu eenmaal niets kunnen aan doen... als jij nu denkt dat ik me zorgen maak om de staatsschuld!" Hij keek me schuins aan en voegde eraan toe: "Neen, neen: je slaat de bal mis! Daar lig ik alvast niet van wakker!"
"Dat denk jij maar", antwoordde ik, en ik zegde het fluisterend om zijn aandacht niet te verliezen: "Hoeveel uren heb je vandaag gewerkt? Acht? Tien? Twaalf? En ben je vermoeid? Het is al donderdag, goede moed: nog één dagje en de week is weer om... tot maandagochtend!"
Hij gaf nu inderdaad weer de volle aandacht.
"Hoeveel heb je verdiend, vandaag? Duizend? En hoeveel eist de staat daarvan op? Vijfhonderd?"
"Dat is noodzakelijk", zei hij: "sociale zekerheid, onderwijs..." Hij keek me eens onderzoekend aan en vervolgde dan op een waarschuwende toon: "Nu, je hebt het mis als het je bedoeling is om mij in het harnas te jagen tegen de werklozen, hoor je!"
"Allerminst!", zo veegde ik dit mogelijke misverstand meteen van tafel: "Het enige wat ik je vraag in overweging te nemen - maar dat ben je natuurlijk niet verplicht te doen - is dit: hoeveel belastinggeld gaat er naar die staatsschuld? Hoeveel uren heb jij vandaag gewerkt om die staatsschuld... af te betalen? Antwoord mij daar maar eens op, mijn beste vriend!"
Ik zag hem rekenen, hij keek eventjes door het raam in de duisternis van de avond, haalde de schouders weer op en keek me afwachtend aan.
"Het merendeel van dat belastinggeld gaat daar naartoe", knikte ik, "de inlossing van de staatsschuld! Maar de zaak is... dat dit geen aarde aan de dijk brengt!"
"Wat bedoel je nu?", verzette hij zich: "Wij... burgers... wij hebben die schuld toch zelf gemaakt, niet? Dus is het niet anders dan normaal dat we die nu weer aflossen, niet?"
"Was dat maar waar", antwoordde ik zachtjes, en ik viel hem meteen weer aan: "Bij wie heeft de staat schuld?"
"Tja... bij de banken, veronderstel ik", zo zei hij na een poosje.
"Heel juist", zei ik: "en wie... of wat... zijn die banken dan?"
Hij keek me wat beledigd aan en wachtte totdat ikzelf door ging met mijn uitleg.
"De zaak zit zo", legde ik uit: "Banken zijn afspraken, legale afspraken weliswaar, maar dan toch afspraken... samenzweringen eigenlijk. Ze zorgen voor het geld van die mensen... die er teveel van hebben."
Hij leek eventjes een kleine verontwaardiging te verbergen, zodat ik besloot dat ook hij wel wat geld moest bezitten.
"En ze zorgen daar heel goed voor", vervolledigde ik mijn zin.
"En jij ziet daar graten in?", wierp hij nu op.
"Ik stel alleen maar vast", zo ging ik verder, "dat er bijzonder goed gezorgd wordt voor het geld van precies die mensen die er teveel van hebben. En moet je nu eens horen..."
Ik schonk onze glazen nogmaals vol en hij leek ineens wel geamuseerd.
"Banken lenen geld uit, nietwaar?"
"In ruil voor interest", beaamde hij volmondig.
"Volkomen legaal", zo trad ik hem bij.
"Niemand is verplicht om geld te lenen", gooide hij er nog bovenop en hij veranderde voor een poos in een spraakwaterval: "Heel wat mensen hebben niet het geduld om te sparen: I want the world and I want it now! Ze trouwen en ze kopen zich alles wat hun hartje lust... met andermans geld. Voor de rest van hun leven moeten ze afbetalen, en vaak betalen ze het geleende bedrag drievoudig terug. Heel juist, heel juist, maar... dat weet ik allemaal, dat is niets nieuws voor mij! En als jij me nu vertelt dat de banken daar geld mee verdienen, welnu: het is hen gegund! Mensen moesten maar eens wat meer geduld aan de dag leggen! Of ze moesten elkaar maar eens wat meer gaan helpen! Banken vegeteren op het tekort aan spontane solidariteit, en zo zijn ze een noodzakelijk kwaad", zo sprak hij met een vurigheid alsof hij - jan met de pet - iets aan de banken verschuldigd was.
"Ik treed je bij", zei ik gelaten, "maar je hebt iets over het hoofd gezien!"
"Wat mag dat dan wel wezen?", zo vroeg hij op een beleefde toon die haast arrogant aandeed.
"Is er niet een gering verschil tussen... leningen die enkelingen, of gezinnen, afsluiten en leningen die... de staat afsluit in naam van die enkelingen?"
Hij keek verbouwereerd op.
"Wil je een lening aangaan, dan ben je daarin vrij", zo bevestigde ik nogmaals zijn argument, "maar... vraagt de staat aan jou of je het goed vindt dat zij, met de banken, leningen aangaat... in jouw naam? Ik wed dat je zelfs sip zou kijken als je er achter kwam dat je eigen vrouw een lening aanging in jouw naam!"
Zijn gezicht vertrok een heel klein beetje.
"Jij verdient, laten we zeggen, één duizendje per dag. Daarvan geef je de helft aan je vrouw... en dat doe je volkomen terecht, want je vertrouwt elkaar! Maar die andere helft, mijn beste: geef je die niet aan de politici? Ja, toch? Meer zelfs: zij eisen de helft van dat duizendje zo op, en daarover valt zelfs niet te bedisselen! En wat doen ze ermee, denk je? Onderwijs, allerlei infrastructuur, kosten hier, kosten daar... dat is allemaal best waar, maar... een niet onaanzienlijk deel van wat ze opeisen... gaat naar het afbetalen van die leningen... die ze in jouw naam afgesloten hebben met de banken! Is dat correct of niet?"
"Dat is zo", zei hij eerder berustend, "maar wat had jij dan gewild?!"
"De zaak is", zei ik weer kalm, "dat politici je niet vragen of ze in jouw naam leningen mogen aangaan. En niet slechts dat: zij gaan maar al te graag leningen aan!"
Ik ging nu opstaan, spoedde mij naar de kast, en haalde een rapport te voorschijn, dat ik hem voorlegde.
"Moet je thuis maar eens rustig bekijken", zei ik. "Dat zijn cijfers, gewoon cijfers. Ze vertellen je iets over de ongelooflijke fantasieën van onze politici: over wat ze al niet bedenken om met de banken leningen te kunnen afsluiten... in jouw en in mijn naam!"
Hij nam het rapport aan en doorbladerde het eens, trok zijn wenkbrauwen op.
Ik vulde de glazen nog eens bij.
"Daar staan zaken in die zelfs door de meest kwistigen onder ons niet eens bedacht konden worden!"
Hij wierp nog een blik op het boek, zuchtte eens.
"Drogredenen, steekpenningen, rechtszaken... het staat er allemaal in! De staat leent zich arm, en alleen de banken worden daar rijker van. En die politici natuurlijk. Maar wij... ja, jij en ik... wij werken dagelijks vier uur om al die schulden af te betalen. Aan ons de taak om de staatsschuld in te lossen! Maar het ergste moet nog komen..."
Ik hief het glas, mompelde: "Op onze vriendschap!", en wij dronken.
"Het ergste?", lachte hij.
"Het ergste is", verklaarde ik: "dat wij op voorhand weten dat de staatsschuld nooit zal ingelost worden: het is namelijk niet de bedoeling om die in te lossen! Het is nooit die bedoeling geweest, in tegendeel: de staatsschuld wordt kunstmatig in stand gehouden! Door de enige belanghebbenden, vanzelfsprekend..."
"De banken en de politici", vervolledigde hij mijn zin.
"Inderdaad, mijn beste", zo bevestigde ik: "ten bate van de bezitters van geld en van macht, en ten koste van ons, arbeiders!"
Wij dronken, met volle teugen.
"Bezit vermeerdert zichzelf op die manier, en ook macht: alleen politici die aldus de arme burgers bedriegen ten bate van de bezittende klasse, kunnen rekenen op financiële steun bij de volgende verkiezingen. De eerste de beste politicus die het in zijn hoofd haalt om met deze traditie van corruptie en volksverlakkerij te breken, kan bij de eerst volgende verkiezingen op de hoek van de straat gaan staan, en maken dat hij aan zijn stemmen komt door daar luid te gaan staan roepen: "Stemt allen voor mij!"
Hij lachte maar zijn lach verdween al gauw, en hij zuchtte andermaal diep. Ik vulde de glazen nogmaals, en zag nu dat we op de bodem van de fles waren beland.
"Ik verplicht je tot niets, mijn waarde vriend", sprak ik met ernst: "maar ik denk dat elkeen het aan zichzelf verschuldigd is om tenminste eerlijk te zijn tegenover zichzelf, nietwaar?"
Hij knikte gelaten.
"Ik verplicht je tot niets", herhaalde ik. "Ik geef je wat foldertjes mee, en dat is alles: je bekijkt ze, of je bekijkt ze niet. Gooi je ze liever in de papiermand... voor mij niet gelaten! Maar je bent een verstandig man... ha, je lacht, Haha! Neen, neen, ik wil je niet vleien... Je weet wel wat ik bedoel... Ik wil je alleen maar zeggen: in onze partij zal het er anders aan toe gaan, en dat kan ik je verzekeren met de hand op het hart! Wij, ja, wij: wij allen, samen, wij breken met die volksverlakkerij! Dat zijn zaken die wij verfoeien! En waar een wil is, is een weg! En wij zullen voortaan zorg dragen voor jou! Geef mij de vijf en... denk eraan, zondag, als je naar de stembus gaat... Op jou kan ik rekenen, dat zie ik zo! En de groeten aan de vrouw!"
"Aan de man!", zo riep hij me nog over zijn schouder na.
Ik was met hem meegegaan tot buiten, en zag plots dat ik me bevond onder de lantaarn, op de straathoek. Achter de hoek vandaan kwam een grote, in het zwart geklede heer aan, met een plechtige tred en een glanzende aktentas. Hij tikte in 't passeren eventjes tegen de rand van zijn hoed, zodat wat licht uit de lantaarn op zijn gezicht viel, en ik herkende nu... mijn rivaal van de Begoedeburgerspartij! Hij was mij al voorbijgelopen toen hij zich nog gauw iets blijkbaar kluchtigs liet ontvallen, iets in de zin van: "aan elkeen een goedenavond", en ook iets van: "op de hoek van de straat, het ronselen van stemmen", en: "niemand kan het u verbieden..." Een koppeltje dat uit de andere richting naderbij kwam, lachte hartelijk om zijn grappen, en toen ze mijn weg kruisten, wendden ze de blik af.
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
Gepost door: omsk op 22-01-2007 om 23:17
|
|
22-01-2007 - De Overname De Overname
Ze kwamen naar binnen wandelen, hier, in de huiskamer, alsof het de meest normale zaak van de wereld was, ja, alsof ze hier ook woonden en thuis waren: insecten, zo groot als schildpadden, en welhaast even traag en houterig als deze laatsten, verplaatsten ze zich. Ze begaven zich naar de keuken en beklommen het aanrecht, op zoek naar iets om te eten.
Je kon niet kwaad op hen zijn en je had ook niet de neiging om ze te doden: niet omdat ze enorme bloedvlekken zouden achterlaten op het parket, maar omdat ze bij je een soort van medelijden opwekten, vooral dan door hun bewegingen die iets hadden van de manier waarop ouderlingen zich voortbewegen. Als je naar hen toe stapte, van plan om hen te pletten met de schoenzool, bedacht je je meteen: ze keken immers op, ze keken je aan, recht in de ogen, zoals katten dat kunnen, en het leek alsof ze vol vertrouwen waren, en dat vertrouwen wilde je op de een of andere manier niet beschamen, en daarom zag je af van je aanvankelijke neiging, en liet je hen begaan. Je deed een stap terug, en je keek alleen maar toe hoe ze naar binnen wandelden en zich doorheen de woonplaats werkten, over de harige tapijten waaraan de uiteinden van hun poten veelvuldig bleven haken, of welhaast even moeizaam over het gladde parket waarop de uitrusting van hun ledematen duidelijk niet voorzien was. Ja, heel even kwam het in je op dat je hen beter wat helpen zou, bijvoorbeeld door krantenbladen uit te spreiden over de vloer ten einde hen de moeizame verplaatsing gemakkelijker te maken, want het leed geen twijfel dat ze er al een heel lange tocht hadden opzitten.
Ze waren ongetwijfeld meegekomen met de helse winden die nu overal woedden, ze waren een product van het natte, klamme weer, van het veranderde klimaat, om zo te zeggen, want of ze alleen maar exotisch waren ofwel geheel nieuw, dat had geen mens kunnen uitmaken. Je had hen alvast nooit eerder gezien, je wist niet hoe ze heetten, of ze denken konden… niets wist je over hen. Spinnen boezemen angst in, padden afkeer, katten verwekken gevoelens van zorg, maar deze dieren, op de hun eigen manier, verwekten… medelijden.
Met velen waren ze: er liepen er al zeker dertig in de kamer rond toen je bemerkte dat ze er waren, maar ze bleven binnenkomen, met ganse colonnes, traag doch gestaag, en toen je door het raam naar buiten keek, zag je dat de voortuin er helemaal zwart van zag en, verderop, ook de straat, de velden.
Overal gingen ze de huizen binnen, en klaarblijkelijk liet elkeen hen begaan, omdat ze bij elkeen dezelfde wrange gevoelens van compassie verwekten: voorbijgangers bleven staan en keken de beesten na met open mond. Kinderen gingen hurken en negen zich met het gelaat tot bij de koppen van de beesten, die hen dan aankeken, recht in de ogen, en de kinderen dropen af en trachtten zich, voorzichtig, een weg terug te banen, naar huis, waar ze ook waren. Ze waren overal, ze beklommen muren, struiken, bomen, lantaarnpalen, daken…
En toen begonnen ze te eten, uiteraard, en nog meer medelijden kreeg je met hen, omdat je zag dat ze echt honger hadden, en je haalde alles uit de kast om ze te voeren: eerst hondenbrokken van de hond die nergens meer te bespeuren was, of het voeder voor de kat die evenmin nog was te zien, en dan opende je een blik sardienen, een doos melk, een blokje kaas. Tenslotte zette je de deur van de koelkast gewoon open, en die van de kelder, waar het fruit lag en de aardappelen…
In geen tijd was alles verorberd en, zoals je had gevreesd, begonnen ze nu ook te knagen aan je voeten.
Lomp waren ze niet: ze kwamen tot vlak voor je zitten, hieven de kop, en keken je aan, recht in de ogen, en wat kon je dan nog doen?! Wat kon je nog beginnen, als je hun getormenteerde blikken zag, zo vol van verdriet?! Zeg mij eens: wat viel hier tegen te beginnen?!
Een slijmerig vocht scheidden ze eerst af, dat ze op je schoenen lieten druipen en dat door het leer heen drong, waarna je het gewaar werd: je voeten werden geheel ongevoelig. Ze keken je weer aan, recht in de ogen, als om te vragen: “Werkt het al?�; “Werkt de verdoving al?�; “Ben je klaar?� “Mag ik beginnen bijten?� En wat kon je dan nog antwoorden? Wat anders kon je antwoorden dan: “Bijt maar, beestje, ga je gang en bijt maar, want je hebt ongetwijfeld honger nu, en elkeen moet leven in deze wereld, en het is tenslotte geen aardigheid dat de ene de andere opeet. Tast dus maar flink toe, en laat het je smaken!�
Pijn deden ze je niet, en het verdovend slijm gaf je zelfs een allerzaligst gevoel, het maakte je slaperig zonder dat je er meteen ook van in slaap viel, want je kon het gebeuren helemaal volgen tot op het eind.
Toen ze aan je ogen gekomen waren, keken ze je een allerlaatste keer aan, recht in de ogen, en dan wachtten ze geduldig nog een poos, als om je de gelegenheid te geven om nog eens rond te kijken, een allerlaatste keer. Kijken naar de wereld die ineens niet meer de onze was, want het was allemaal voorbij, en zij – zij waren nu de nieuwe mens.
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
------------
Gepost door: omsk op 22-01-2007 om 23:14
|
|
22-01-2007 - De Afwas De Afwas
Ik stond in de keuken nog snel de afwas te doen van die avond, het was al na middernacht, toen ik opeens voetstappen meende te horen, achter mij. Ik draaide me om en keek pal in haar ogen. Ik was verbijsterd.
“Grootmoeder!�, riep ik, geheel verschrokken.
Zij glimlachte breed, precies zoals ze altijd glimlachte, toen ze nog in leven was, en ze zei niets, als wilde ze mij de tijd geven om mij rekenschap te geven van haar aanwezigheid. En toen ze zag dat ik wat bekomen was van het verschieten, sprak ze, met rustige stem en almaar door glimlachend:
“Ge moet niet zo schrikken, jongen, ik kom eens kijken hoe het gaat… mag ik dat niet doen?�
Daarop nam ze een handdoek van het rek en zij begon prompt af te drogen.
“Natuurlijk�, antwoordde ik, en ik vroeg me af of ik dan de waarheid sprak, maar toen het tot me doordrong dat ze er echt was, wist ik ook dat ik de waarheid sprak.
Ik stond aan de grond genageld. Ze zette het bord neer en, als om mij gerust te stellen, greep ze met haar beide warme handen, mijn handen vast en drukte ze in de hare, glimlachend nog steeds. Daarop ging zij met afdrogen door.
Zij was niet van wind, doorzichtig of ijl, zoals men zegt dat spoken zijn: zij was ondoorzichtig, goed hoorbaar, tastbaar en warm, zij sprak met een kloeke stem, zij leek gezond en wel, zoals ik wenste dat zij was.
Op dat ogenblik zag ik het: zij leek geen haar veranderd sinds ik haar, in haar oude dag, voor het laatst zag.
“Ben je niet bang, grootmoeder?�, vroeg ik.
Immer glimlachend antwoordde ze: “En waarom zou ik dan bang moeten zijn, mijn jongen?�
Wist zij niet dat het oorlog was?
“Hahaha�, zo lachte ze, en ik herkende de dappere lach van ooit, en dat maakte me blij: “Waarom zouden wij dan nog bang moeten zijn?�, en toen ze me aankeek: “Op onze leeftijd?! Hahaha!�
Ik realiseerde mij plotseling: ik was een oude man. Zij was mijn grootmoeder; vroeger zegde men wel eens dat ik op haar geleek, en dat ik haar gesteltenis erfde. In haar levenseinde zag zij schimmen.
© Jan Bauwens, Serskamp 2007
---------------
Gepost door: omsk op 22-01-2007 om 21:56
|
|
12-01-2007 - Het gesprek Het gesprek
Op van de veel te lange werkdag en de overuren, de trein, het gewriemel van de massa, het lawaai van het verkeer, het gevaar van de engten en de doorgangen waarin men moet oppassen voor vreemde echo’s ook – op van de dag, komt hij thuis, laat zich in een zetel vallen, het hoofd achteruit, de armen slap bengelend over de leuningen, het spook van de dag verjagend in zijn hoofd, de gedachten nog bevechtend, gedachten aan wat er weer allemaal mis ging…
Ik geef het op, denkt hij: morgen blijf ik thuis, dit hou ik niet mijn leven lang vol, ik kap ermee, ik geef het op.
En dan die stemmen! Hoe haat hij ze! De bureauchef: nooit tevreden, altijd commentaar, het gaat nooit rap genoeg, het is nooit goed! Er zijn weer cursussen, examens, tentamens, commentaar, evaluatie, doorlichting, enquêtes, paperassen!
“Ik kap ermee!�, roept hij.
Er is niemand die het hoort wat hij zopas ongewild luidop gezegd heeft. De kamer is leeg, zoals altijd. Hij loopt naar de koelkast, vindt daar nog wat schimmelkaas en brood, en een restje witte wijn. Hij eet en drinkt, vult zijn maag, plaatst de rommel in een plas water, laat zich weer in de zetel vallen.
Het lawaai van de straat, het verkeer: het komt zomaar zijn kamer binnen. De eeuwige ruzies van de bovenburen herbeginnen, het is immers zes uur. De beiaardklok van de onderburen galmt. Wanneer houdt het op! Hij grijpt naar de telefoon, tikt een nummer in, hij kent het allang uit het hoofd.
“Ik ben het. Is hij thuis? Ja, haal hem eens…�
Mij schepen ze niet af, denkt hij: straks zijn er verkiezingen, ze moeten er wat voor doen!
“Ja, hallo? Francis hier… zeg ‘ns… waarde politieker en ook… kandidaat-politieker: heb je dat voorstel al eens te berde gebracht? Neen, ik bedoel mijn voorstel natuurlijk! Wel, ik moet er eens dringend met je over praten, weet je: je hebt me immers beloofd dat je alles zal doen om het erdoor te krijgen: belofte maakt schuld! … Wat zeg je?... Jamaar vriend, na de verkiezingen zitten jullie veilig hé, en dan richten jullie toch niets meer uit: ik eis – hoort u dat goed? – ik eis dat het nog vandeweek op tafel komt en besproken wordt, en dat er een na te leven afspraak komt om het in de volgende legislatuur te doen stemmen… Neen, ik heb geen begrip voor… Je hebt tijd genoeg gehad, vriend: tot binnenkort!�
Hij staat op, loopt naar het venster en terug, zet de TV aan; Ekskens is het aan het uitleggen; “Weg, gij lelijke dief!�, snauwt hij, en hij draait de knop om: Ekskens weg.
Hij gaat weer zitten. Houdt het hoofd in de handen, probeert zijn gedachten te ordenen, vergeefs. Staat weer op. Trekt zijn jas aan. Loopt naar buiten, de gangen, de lift, de trap, de straat.
Vier straten moet hij door lopen: drie lange en een korte, hij kan het al met de ogen dicht. Daar is de deur… op de eerste verdieping staat Johanna ruiten te wassen: die moet ik hebben, denkt hij. Als hij aanbelt geven ze immer ‘niet thuis’.
“Hallo, Johanna!�, roept hij: “alles goed? Ben je niet bang om eraf te donderen? Jij bent een ware acrobate!�
De vrouw houdt op met poetsen en kijkt tevreden naar beneden: “’t Is mijn laatste jaar�, zucht ze: “volgend jaar… pensioen!�
“Dat meen je niet!�
“Wacht, ik kom opendoen!�
Ze is buiten adem als ze in het deurgat verschijnt. Ze leidt hem naar de wachtkamer, schoorvoetend, zodat ze ruimschoots de tijd heeft om haar sop af te gieten. Hij beaamt alles wat ze zegt, en kijkt intussen rond en spitst zijn oren naar mogelijke geluiden in de gang en op de trap.
“Zeg, Johanna, je moet niet zeggen dat ik het ben hé, anders geven ze ‘niet thuis’�, fluistert hij haar in het oor: “Zeg maar op een lachend toontje dat er een heer in de wachtplaats zit die je nooit eerder gezien hebt. Je mag hier toch grapjes maken, niet?�
“Haha, mijnheer is thuis, weet je: ik zal hem zeggen dat ik je gezegd heb dat hij thuis is. Hoe zit het trouwens met dat wetsvoorstel van je? Weet je, ik kijk er ook naar uit, jongen. Ik vind het een beetje jammer dat jij er naar uitkijkt, jij bent immers nog een jongeman… Maar voor mensen van mijn leeftijd zou het een goede zaak zijn. Ach, meer en meer mensen beginnen van het leven genoeg te krijgen dezer dagen… Eenmaal de jeugd voorbij is, en de schooltijd… Het is niet meer zoals vroeger, nietwaar jongen?�
“Jij weet meer dan ik, Johanna, jij hebt de andere tijd nog goed gekend…�
“Ach, jongen… als je bedenkt dat ze voor niemand nog respect hebben tegenwoordig… Leren doen ze ook niet meer, en goede voorbeelden? Die zijn de wereld uit! Weet je, de mensen worden stilaan zoals de dieren. Erger nog, men mag de dieren niet beledigen… En met dat verschil dat de dieren nog aan het leven hechten. Als ze van school zijn… er is geen werk… ze doen hun ding, vervelen zich, lopen verloren… en niemand trekt er zich ook maar iets van aan: het is elk voor zich vandaag! Elk voor zichzelf! Alexander, voor mij en voor geen ander… Ga zitten, ik ga mijnheer nu halen… en zeg het hem maar eens goed, gij kunt dat, ik weet het! Als ik u niet meer zie: tot vandeweek eens!�
“Dank u, Johanna, tot vandeweek…�
Hij kijkt haar na, ze sukkelt een beetje als ze de trap op gaat; het lijkt alsof ze haar linker been achter zich aan sleept.
Hij gaat zitten, kijkt naar de kale muren, spitst zijn oren, hoort Johanna zachtjes praten met de ‘heer des huizes’. Zijn stem klinkt opgewekt, zoals altijd. Hij zal trommelend de houten trap naar beneden lopen, met vaart, zoals altijd. Als hij de deur van de wachtkamer opent, zal eerst zijn slingerbuik te zien zijn: het witte hemd, de gestreepte das, de mollige vooruitgestoken hand, de luidkeelse hartelijkheid: “Mijn allerbeste vriend! En hoe gaat het nog met u! Maar kom toch mee naar mijn bureau: het is daar veel gezelliger…�, en dan op een fluistertoontje: “Niemand mag het horen, maar ik heb daar nog een bijzonder goed flesje staan: kom snel, ga zitten: ik haal gauw glazen!� En dan, op een heel andere toon doorheen de gang: “Johanna! Johanna! Gla-zen! Twee!�
Hij neemt me telkens te grazen, zo prent Francis zich in het hoofd: ik mag me niet laten inpalmen! Ik heb dat dossier van hem in mijn kast zitten, en dat weet hij. Ik moet hem goed laten voelen dat ik dat dossier heb, en dat ik het kan opendoen als ik het wil. Hij heeft er schrik voor, maar hij denkt dat hij het voor mij onmogelijk kan maken om ermee voor de dag te komen, door mij zijn “allerbeste vriend� te noemen en mij vol te gieten met dure wijn. Dan kent hij me nog niet! Ik zal hem immers vertellen dat ik geen wijn meer drink! Ja, laat ik daarmee alvast beginnen… en als hij merkt dat het ernstig is, heb ik de touwtjes in handen en moet hij volgen: hij zal het wetsvoorstel bespreken, morgen nog!
Het zweet breekt Francis uit en hij krijgt warempel dorst. Het is veel te warm in deze wachtkamer. Wachtkamers alom ten lande zijn koel, zelfs koud en killig, maar deze hier lijkt wel een sauna. Het is opgezet spel, weet Francis: hij zorgt ervoor dat je uitgedroogd bent tegen de tijd dat je hem te spreken krijgt en dan giet hij je vol. En hij herinnert zich met tegenzin dat hij dit huis nog nooit anders verlaten heeft dan op handen en voeten.
Als je aan gewone mensen een bezoek brengt, en je bent niet welkom, dan word je met stokken de stoep op gekieperd. De heren van dit slag echter, maken hun handen niet vuil en nog veel minder verliezen ze hun humeur: ze lachen zich een breuk wanneer je bij het weggaan jezelf als een zak cement door hun portaal katapulteert, drie trapjes naar beneden op de harde en intussen nat geregende stenen van de stoep belandt, en je je vervolgens dwaas om je heen kijkend staat af te vragen welke kant nu huiswaarts is. Geen pak rammel heeft zo’n vernietigend en vernederend effect. En op de koop toe heb je de geweldenaar dan telkens nog eens uitbundig bedankt voor zijn gastvrijheid!
Dit keer zal het niet waar zijn, zweert Francis bij zichzelf: ik zal hem het dossier voor de geest brengen!
Ik weet het, dit verhaal eindigt heel abrupt en voorspelbaar. Het gaat als volgt: ongeveer twee uur later is het donker geworden en het heeft geregend. De voordeur van het huis van schepen Tantemans gaat open. Niet in een ruk, maar eerst op een kier. Gezien van de tegenoverliggende straatkant, kan men dus een kier zien verschijnen aan de deur van schepen Tantemans. De kier wordt nu eens groter, dan weer kleiner. Dat duurt minutenlang. Uiteindelijk gaat de deur volledig open en ziet men tegen de achtergrond van een zwak verlichte gang, twee silhouetten. De ene is groot en rond, stevig en stabiel ook, en de andere – klein en mager, als een tak – lijkt wel ter plaatse te dansen. Die buigt herhaaldelijk voor de ronde vorm, precies zoals een tak buigt in de wind, en de grote ronde silhouet geeft bemoedigende schouderklopjes aan de smalle dunne. Zo bemoedigend dat deze het evenwicht verliest en uit het deurgat neerstort, de drie trapjes af. De dikke, ronde vorm vraagt aan de tak of het gaat, en deze antwoordt iets in de zin van dat er helemaal niets aan de hand is, en hij staat warempel al weer rechtop, waarna hij wordt uitgewuifd door de zich nu definitief terugtrekkende ronde vorm. Het licht in het portiek is al verdwenen achter de zware deur, wanneer de tak terug wuift. Duidelijk mankend gaat hij enkele meters naar rechts, blijft dan staan, houdt zich aan een lantaarnpaal vast met twee twijgen, kijkt rond zich en als men heel goed luistert kan men iets als een vloek horen waaien in de gure wind. De tak weet duidelijk niet meer welke kant hij op moet. Na enkele seconden maakt hij rechtsomkeert, loopt weer aan de gevel van het huis van de heer Tantemans voorbij, maar als hij een tiental meter verder is, gaat hij opnieuw tegen de vlakte. Dit keer blijft hij enkele seconden roerloos liggen vooraleer op te staan. Als hij weer recht staat, leunt hij tegen een lantaarnpaal, buigt diep voorover en men kan heel goed zien en ook horen nu, hoe hij alles wat hij nog in zich heeft, eruit kotst. Hij murmelt iets, wrijft zachtjes vloekend met de handen over zijn jas en over zijn broek, en strompelt dan in de tegengestelde richting verder. Als het ware om zich beter te kunnen oriënteren, loopt de tak vervolgens naar het midden van de straat, van waar men warempel een beter overzicht heeft over de omgeving. Nadat hij daar wat heeft staan grommen, keert hij naar het voetpad terug en begint te stappen.
“Drie lange… en een… korte!�, zegt de tak, en er klinkt enige tevredenheid in de stem, nu hij het zich herinnerd heeft, en dan houdt hij halt: “Maar… terugkeren… dat is drie korte… en een lange!�, zo herroept hij zijn besluit. Hij staat dus stil, kijkt op, draait zich om, en gaat de tegengestelde richting uit.
Hij stapt en stapt nu duchtig door, en indien er iemand in de buurt was geweest die hem gekend had – maar helaas kennen de mensen elkaar tegenwoordig niet meer – dan had die beslist aan onze vriend gevraagd waar hij wel van plan was om zo laat op de avond nog naartoe te zeilen.
© Jan Bauwens, Serskamp 2006
Gepost door: omsk op 12-01-2007 om 19:24
|
|
04-01-2007 - Septembernacht Septembernacht
Het was een van die intussen niet meer zo zeldzame, warme nazomernachten in september. Het middernachtuur was allang verlopen, maar in de straten van deze oude stad kon men nog over de koppen lopen. Het was niet de drukte van de dag die in de winkelwandelstraten heerste: onder een volle maan, gehuld in een halo van kleurenringen, was het wandeltempo rustig nu, haast slenterend. Het keuvelen van nieuwe en ook oude koppeltjes, hand in hand, welhaast in strandkledij, werd begeleid door het stroelen van het water in de bekkens onder de kleine fonteintjes die alom als gebeeldhouwd oprezen uit saters en nimfen van donkergrijze granietsteen uit de vergangen gewaande middeleeuwen. Een mist van een zeer draaglijke en welkome friste was intussen op de pleinen afgedaald en hulde verre torentjes in een dromerige waas en, zoals reusachtige, kleurige lantaarnen, lieten van binnenuit verlichte kathedralen hun glasramen zingen terwijl zij gestreeld werden door nevelslierten die zich als bleke slangen om de donkere steunberen slingerden. Hoog daarboven verdween nu en dan de kroon van een kerk volledig in laaghangende nachtwolken die veel te wit waren om echt te kunnen zijn, wat een onwezenlijk spectakel opleverde: het leek dan alsof de kerk op zachte en onhoorbare wijze was onthoofd voor de duur van enkele tellen terwijl, uitgerekend dan, uit die niet meer bestaande toren het gedruis van een bronzen klok tot tweemaal toe weerklonk.
Het zware gelui viel neer in de stegen en galmde haast eindeloos in portieken, spelonken, bakstenen gangen en weggetjes met smalle trappen die langs koude, sierlijke, gietijzeren traliehekkens in donkere schaduwen afdaalden naar zwarte, koele waters waarop zwanen slapend in grote kringen dreven. Ontelbare ruitjes, pekzwart in de trapgevels, weerkaatsten in voorbijgaande flarden de maan en haar dromen, de wolken en de nacht en, hier en daar, een schare oude bomen die in het windstille van de nacht de pracht van hun tentakels in het licht van de mist als toortsen verhieven terwijl zij geheel verstild en onbeweeglijk bleven. Zij stonden, de bomen, overwelmden met een diepgroene geur als van bloemen de banken, gesneden uit hun eigen vlees dat hout heet, en op de banken hadden zich wandelaars gevleid om nog dieper te kunnen ademen nu, en de tere longen geheel met de koelte van de maan te vullen, zoals men kristallen bekers vult met donkere wijn, en dorstige tongen laaft aan ijskoud water.
De dorst die nu zichtbaar was in het welven van de silhouetten van de ranke lichamen bij elke ademteug, was onmiskenbaar niet langer een dorst naar water of naar wijn. Menig wandelaar begon nu echt te slenteren, sommigen ook kwamen middenop de weg tot staan, lieten het hoofd in de nek vallen, keken diep in het wonder van het firmament en sloten dan de ogen voor een wijl, alsof zij van dit zalige ogenblik op onnaspeurbare wijze een prent maakten welke ze langzaam lieten neerzinken naar de bodem van de ziel om die daar voor immer te bewaren. Anderen gingen op de koele, stenen muurtjes zitten, lieten de zwaar geworden armen hangen en ook het hoofd dat zich als in gebed voorover boog ter aarde, en gezalfde ogen verwonderden zich over de vormen van de stenen van de straat, het kunstwerk van kasseien die door een duizendjarige, onverdroten dans van wandelaars zo rond en glad geschoren waren als de mysterieuze keien in de rondingen van de helderste stroom.
En zo ging het nog een tijdlang door, als was dit niet echt gebeurd, doch slechts een stille film, geprojecteerd op het theater van de aarde; een spokerige droom waarvan alras het einde naderde wanneer nu koelere lagen lucht door de aders van de straten daalden. Het volk trok weg, werd dunner, verdween als in het niets, en de ruimte nam haar plaats weer in, vestigde zich in een nieuwe kilte. Een forse wind blies de laatste nevelen aan flarden, stuurde donkerder wolken boven de kathedralen van de stad, benam de maan het zicht. En 't overtrok nu overal, de stenen werden koud, het spel dat uitgespeeld was werd verjaagd, een sliert van plotseling afgerukte bladeren vluchtte door de straten, de lantaarnpalen op het plein gingen nu sidderden en in de verte rammelde een frisdrankblikje met een hels lawaai.
Ik nam de enkele munten uit mijn hoed, klopte het stof uit de jas waarop ik gezeten had en zocht een slaapplaats, ergens uit de regen en veilig voor de wind. De munten knoopte ik goed vast, in de rode zakdoek die ooit van mijn oude moeder was.
© Jan Bauwens, Serskamp 2006
Gepost door: OMSK op 04-01-2007 om 06:32
|
|
30-12-2006 - De nieuwjaarsramp De nieuwjaarsramp
Het gerucht verspreidde zich als een lopend vuurtje, dat hij op komst was, ja, dat hij er was, en dat het geen gewone ramp was: men had het over een ‘verschijnsel’, een nieuw natuurverschijnsel, of althans een verschijnsel dat zich tot in deze tijden bij mensenheugenis nog niet zou hebben voorgedaan.
Het weer is van alle tijden en van elke dag. Er is dagelijks wind, er is regelmatig felle wind, en enkele keren per jaar is er ook storm met bliksemschichten en donderslagen. Maar op bepaalde plaatsen op aarde zal het nooit sneeuwen. Er zijn plekken waar windhozen onbekend zijn, of vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, tsunami’s. Er zijn zelfs plekken waar het zelden regent, en plekken waar de zon dagenlang ofwel niet ondergaat ofwel niet opkomt. Elke plaats heeft zo zijn klimaat en ook zijn eigenaardigheden.
Maar er bestaan ook natuurverschijnselen die, voor ongeacht welke plek ter wereld, uiterst zeldzaam zijn. Onder deze verschijnselen zijn er best heel grappige, zoals die keer dat het op een zekere plaats vissen regende. Aanvankelijk dachten de mensen daar dat het om een wonder ging, maar neen: een windhoos had voor visser, transporteur en leverancier gespeeld.
Aan de warme golfstroom danken we ons gematigd klimaat: het is een transportband in de oceaan die warm water uit de tropen noordwaarts brengt. De motor van die stroming is de poolkap: zij doet dat water bevriezen, zodat het overige water zouter en zwaarder wordt, zinkt, en dan in tegengestelde richting, onder de warme stroming door, wordt teruggevoerd naar het zuiden. Maar jammer genoeg zou deze natuurlijke ‘chauffage’ wel eens van zeer korte duur kunnen zijn: het smelten van het poolijs maakt het water daar immers zo zoet, dat dit warmtetransport dreigt stil te vallen. In 2005 stelden natuurkundigen vast – schrik niet – dat onze golfstroom in de jongste tien jaar één derde van zijn kracht verloren heeft. Zullen wij hier binnen tien jaar Siberische winters kennen?
Onze seizoenswisselingen worden niet door de golfstroom veroorzaakt, en ook niet door de wisselende afstand tussen de aarde en de zon: de scheve aardas is er verantwoordelijk voor. In de zomer hebben we de zon ’s middags bijna loodrecht boven ons hoofd en in de winter maakt het zonlicht een scherpe hoek met de aardoppervlakte. Geologen berekenden dat de jongste grote tsunami de aardas een weinig uit haar evenwicht bracht, maar hebben we er al aan gedacht wat de inslag van een meteoor met onze seizoenen zou kunnen doen?
Aan de afwisseling van dag en nacht zijn wij gewend geraakt, maar we staan er niet bij stil: het uitblijven van het zonlicht zou na zeer korte tijd de dood van alle leven op aarde betekenen. Zonsverduisteringen zijn zeldzaam en dus aantrekkelijk; ze duren zeer kort, maar lang genoeg om de lokale temperatuur wat te doen zakken. Zoals iedereen weet, wordt het donker als de maan tussen de zon en de aarde door passeert. Maar stel eens dat er een hemellichaam voor een wat langere tijd tussen de aarde en de zon kwam hangen: de atmosfeer zou zelfs de tijd missen om zonder zuurstof te vallen en ons zo te laten verstikken. Een mens bestaat uit bijna alleen maar water; na enkele dagen, of zelfs maar uren, zouden we in ijsklompen veranderd zijn.
Enkele jaren geleden werd een raket gelanceerd met een licht reflecterende paraplu aan boord. Het openvouwen van de paraplu mislukte, maar als ooit hetzelfde experiment wordt overgedaan en slaagt, kan op die manier vanuit de ruimte een stad worden verlicht. Voor hetzelfde geld kan met een zwarte paraplu een stad, een heel land, of zelfs de ganse aardbol voorgoed worden verduisterd. Bosbranden, tornado’s en overstromingen zijn klein bier vergeleken bij zulke finale catastrofen.
Dit alles slechts om te zeggen hoe precair onze situatie is, en hoe weinig rekenschap we ons daarvan geven. Zolang het goed gaat met onszelf, maken we ons geen zorgen. Kijk maar eens hoe onbewogen het noordelijke deel van de wereld blijft als, bij het begin van het jaar 2007, in het zuidelijke deel dagelijks 30.000 (dertigduizend) kinderen gewoon verhongeren. In het noorden maakt men vuurwerk!
J.B.
Gepost door: OMSK op 30-12-2006 om 04:39
|
|
27-12-2006 - Het Spel van de Wereld Het Spel van de Wereld
Ik moet bekennen dat één grote verslaving mijn leven in de loop der tijd is gaan domineren: tabak. Zoals een niet onaanzienlijk deel van de wereldbevolking, ben ik verslaafd aan sigaretten. Zoals menigeen, heb ik meerdere keren hardnekkige pogingen ondernomen om het roken op te geven, en de enkele keren dat ik daar ook in slaagde voor een wat langere periode dan pakweg een week of twee, viel ik telkenmale ten prooi aan een afgrondelijke depressie.
Mijn huisdokter vertelde dat men moeilijker van tabak af geraakt dan van heroïne, en ik heb hem ook op zijn woord geloofd. De mensen in mijn omgeving die het roken hebben opgegeven, zijn jaren later nog steeds onuitstaanbaar. Men zegt dat velen, die dertig jaar of langer niet meer hebben gerookt, op hun sterfbed plotseling vragen naar een laatste sigaret.
Sinds enige tijd nu, heeft mijn tabaksverslaving een gezellin. Geheel ongemerkt is zij mijn leven naar binnen geslopen. Het begon met de aanschaf van computers en een internetaansluiting, de digitale televisie, de automatisering van de keuken, en nog enkele andere 'herschikkingen', zoals mijn vrouw het noemde, die de hele verbouwing in gang zette. "Wij moeten mee met onze tijd", zo zei ze toen ik mij eerst trachtte te verzetten tegen de rompslomp die zulks meebrengt, en tegen de hoge en blijvende kosten. Maar als mijn vrouw zich iets in het hoofd haalt, is het altijd fataal.
Alras hadden we elk onze computer, er kwam er eentje op de tafel in de woonkamer en eentje in de keuken. Wie als eerste opstond, 's morgens, zette de koffiezet aan en de beide PC's - dat was de afspraak. En wat later zat elk van ons voor zijn scherm. Tot laat in de nacht speelde ik dagelijks het blokkenspel. Het was een verslaving die ik met mijn teerbeminde deelde.
Eerst verwaarloosden wij het ontbijt, en het duurde tot de middag voor we aten. We werkten beiden weliswaar af en toe op kantoor, maar we leerden om het werk dat van ons verwacht werd, twee keer sneller af te handelen dan normale mensen dat kunnen, zodat de helft van de werktijd vrij kwam voor het spel. Zo slaaggen wij er dan toch nog in om ongeveer zestien uur per dag te blokken.
Ja, ook op slapeloze nachten waren wij goed voorzien. Op onze nachtkastjes lag een spelconsole die op batterijen werkte. In de schuiven van de kastjes lag een voorraad. Niets is immers vervelender dan wakker worden middenin de nacht, naar de spelconsole grijpen en moeten vaststellen dat de batterijen leeggelopen zijn.
Op woensdag gingen wij elk naar onze psychiater. Uiteraard namen wij de spelconsole mee, om de tijd te doden op de trein en in de wachtzaal. Een getik van jewelste was het daar. Uiteraard konden wij gewoon verder spelen terwijl we in therapie waren, en onze dokters deden dat ook. Ze waren trouwens van mening dat er tegen deze kwaal geen echt doeltreffende therapie bestond. Je kon alleen proberen om het jezelf onmogelijk te maken om nog te spelen, zo zegden zij, maar die oplossing was weinig duurzaam. Al wie rookt, weet dat als je bijvoorbeeld geen tabak in huis haalt, je dan 's nachts sowieso vijftig kilometer ver rijdt om er in een nachtwinkel in de stad te kopen, en precies dezelfde toestanden kreeg je met dat blokkenspel.
Vroeger kon ik uren, ja, dagenlang opgaan in bijvoorbeeld algebra. Ik ging wekelijks een avond schaken en nam deel aan gezellige toernooien in binnen- en buitenland. Of ik las mijn geliefkoosde Zuid-Amerikaanse auteurs. Dat had nu allemaal plaats gemaakt voor blokken.
Eten deden wij nog zelden. Meestal namen we de telefoon en we bestelden een pizza. De pizzajongen begreep onze verslaving en hij wist dat hij de schotels op de stoep kon deponeren. We gingen ze daar dan halen, tenzij de ratten ons voor waren.
Over ratten gesproken... Door het spel waarvan wij in de ban kwamen, zal het niemand verwonderen dat ons nog bitter weinig tijd restte om op te ruimen en van die dingen meer. Maar laat ik eerst een reusachtig misverstand uit de wereld helpen.
In tegenstelling tot wat men algemeen beweert, zijn ratten dus helemaal niet vies: het zijn zoogdieren, net als katten, en zij hebben een prachtige pels. Als je er niet naar jaagt, worden ze zowaar tam. Net als katten, leren ze in een mum van tijd allelei truukjes aan om de aandacht te trekken. Zij staan op menselijke genegenheid, laten zich aaien en zitten graag op schoot. Net als katten, helaas, knabbelen ze ook graag aan alles en nog wat, maar dat is nu eenmaal eigen aan knaagdieren, het is nodig voor hun tanden dat ze voortdurend bijten, zoniet zouden die buiten hun proporties treden, met alle gevolgen vandien. Vervelend zijn ratten wel als ze over het toetsenbord beginnen te rennen. Het zal je maar overkomen terwijl je na een hele dag hard proberen eens aan niveau negen bent gekomen.
Niveau negen was intussen trouwens allang vervlogen tijd: na enkele weken oefenen zaten zowel mijn vrouw als ikzelf in minder dan een kwartier over niveau tien. Ik kan hier niet alle details uit de doeken doen, maar onze kundigheid werd op een zekere dag zo problematisch, dat zich een vreselijk dilemma voordeed: na een marathonzitting van zo'n slordige vierentwintig uur aan niveau honderd-en-zoveel aanbeland, verplichtte de slaap ons om de boeken toe te doen, met het gevolg dat we daags nadien weer helemaal van voor af aan konden herbeginnen. Iedereen begrijpt dat alleen ploegenwerk hier nog soelaas kon bieden. En zo gingen mijn vrouw en ik elkaar aflossen in eenzelfde spel.
Veel tijd om te ruziën over wie hoelang en wanneer zou spelen, was er niet, aangezien we onze blokken in de gaten moesten houden. Terwijl de ene het 'grote' spel speelde, oefende de andere zich op de tweede computer. Vaak gebeurde het dat het 'grote' spel in duigen viel, terwijl het 'oefenspel' vlotte, en dan verwisselden we gewoon het 'echte' spel met het 'oefenspel'. Na verloop van tijd slaagden we erin om kennissen te betrekken in het slopende aflossingswerk, en alras speelden we met een team van meer dan dertig leden op een twintigtal computers.
Het hoeft niet gezegd dat even snel onverwacht hoge scoren werden gehaald. Na enkele weken reeds creëerden zich spelletjes die meerdere dagen duurden, en die liepen over niveau duizend-en-zoveel. En met deze activiteit breidde zich vanzelfsprekend ook onze manier van leven uit, en kwamen er - onvermijdelijk - alsmaar meer ratten aan te pas.
Met vele duizenden waren we al aan het werk, toen enkelen van ons zich opofferden - dat wil zeggen dat zij hun deelname aan het spel voor enkele uren of soms wel meerdere dagen lang onderbraken - om politieke acties te ondernemen ter verdediging van de minderheidsgroep die wij toentertijd nog waren. Buiten alle verwachtingen werden wij al gauw erkend, en mochten wij van de minister de eerste steun ontvangen, die naderhand ook uitgroeide tot een echte, substantiële subsidie, incluis allerlei voordelen, zoals 'betaald hogescoreverlof'. Een en ander had vanzelfsprekend te maken met het feit dat onze gemeenschap intussen heel wat groter werd, zodat wij op den duur niet langer een te beschermen minderheid bleken, doch een fikse meerderheid, eerst met leden in het parlement, daarna met regerende ministers, en tenslotte met een heuse premier van de 'Vlaams blokken-partij'. En dat wij al die tijd de wind in de zeilen kregen, zal wel niemand verwonderen die ook weet dat de 'bezigheid' die voor ons allen heilig is, de high-tech-sector van onze economie, en ook de economie in haar geheel, deed draaien zoals nooit voorheen.
Zowat zestig percent van alle burgers doen heden niets anders meer dan blokken, en het moet worden gezegd dat zij niet acht, doch zestien tot zelfs meer dan twintig uur per dag aan de slag zijn - het merendeel offert ook de weekends en de vakanties op aan deze aldus allerminst nutteloze bedrijvigheid. Er zijn vormingssessies voor volwassenen en ook voor kinderen, voor wie sinds kort het blokken nu een hoofdvak is op school. Gestaag breidt ons ooit zo deviant geacht gedrag zich uit tot in de verste uithoeken van de wereld, en wie zich door omstandigheden voor een poosje van het blokken moet onthouden, krijgt een totaaloverzicht, en kan zowaar vaststellen dat de wereld er nooit zo vredig bij lag. Het getik op de miljarden klavieren zorgt voor een gedruis als van een kalmerende en bezadigde, aanhoudende regen, die hoorbaar blijkt te zijn tot op de maan, en waaraan wij intussen zo gewoon geworden zijn dat wij het meestal niet eens meer waarnemen, trouwens net zoals de harmonie der sferen. De 'Dag des oordeels' wordt nu trouwens in alle handboeken en encyclopedieën al omschreven als die dag waarop, onverwacht en overal tegelijk, de elektriciteit zal uitvallen.
Beste lezer, mocht u nog niet tot onze gemeenschap van blokkers behoren, dan kunt u hieronder de link naar het blokkenspel vinden: één enkele klik volstaat om het spel op te starten. Echter, bezint u zich goed vooraleer u aan het spelen gaat: u hebt namelijk slechts veertig percent kans om niét verslaafd te raken. Anderzijds is het natuurlijk wel zo dat, van zodra u enige bedrevenheid krijgt, u van het blokken een volwaardig beroep kunt maken: niet slecht betaald, en met zelfs excellente salarissen in het vooruitzicht voor de meer snuggere spelers - op enkelingen staan zelfs fortuinen te wachten. Ook kunt u zich troosten aan het feit dat, niettemin het blokken een heuse verslaving is, u zich verder geen illusies hoeft te maken, want eigenlijk delen de meeste van onze menselijke werkzaamheden, sub specie aeternitatis, in datzelfde lot. Bezint voor ge begint, maar hier komt de link:
http://www.een.be/televisie1_master/programmas/e_blok_spel/index.shtml
© Jan Bauwens, Serskamp 2006
Gepost door: omsk op 27-12-2006 om 22:07
|
|
23-12-2006 - De Messias De Messias
Hij is nu reeds lang vergaan tot bot en as, en zelfs van het bot kan niet veel meer overschieten, maar in die tijd liet hij zich "de Verhevene" noemen, want dat betekent "Augustus". Zijn echte naam was Gaius Julius Caesar Octavianus en hij was een adoptiezoon van de grote Gaius Julius Caesar, die verwant was met zijn moeder. Na Caesar's veroveringstochten strekte het Rijk van Rome zich uit over gans Europa (Engeland inbegrepen), Klein-Azië (Griekenland en omstreken) en een deel van Azië (Arabië), het huidige Israël en Noord-Afrika (het ganse kustgebied aan de Middellandse Zee). Augustus was geen doetje: hij huwde drie keer - de derde keer met de vrouw van Nero, toen deze laatste haar aan hem had afgestaan. Hij trok op met koningin Cleopatra van Egypte, had buitenechtelijke relaties, en voerde zijn leven lang oorlog om steeds meer macht. Er was toentertijd een senaat in Rome, maar Augustus' vetorecht maakte van hem een dictator en tegelijk was hij ook nog hogepriester. Grote literatoren zoals Horatius, Vergilius en Livius werden door hem betaald om zijn roem te bezingen. De man was omzeggens God zelf. Keizer geworden op zijn zesendertigste, in 23 voor de geboorte van de Messias, zou hij dat blijven tot aan zijn dood, toen Jezus een jongen van zowat 14 moet zijn geweest. Hij zou dan opgevolgd worden door Tiberius Claudius Nero die regeerde tot 37 na Christus en die, wellicht in opdracht van diens opvolger, Caligula, werd vermoord.
In het jaar 4 voor Christus' geboorte stierf Herodes de Grote die, onder het gezag van Rome, als koning heerste over het land van de Joden. Hij werd opgevolgd door zijn zestienjarige zoon, Herodes Antipas, die koning zou blijven tot nog enkele jaren na de dood van Jezus, in het jaar 39. Dit 'heldenkind' - want dat betekent de naam 'Herodes' - zou later Johannes de Doper laten onthoofden, en wanneer Jezus naar de Romeinse procurator van Judea werd gebracht - Pontius Pilatus - zou deze laatste de eer voor de rechtspraak overlaten aan Herodes, met wie hij een ruzie wilde bijleggen, maar Herodes zou de Beschuldigde terugsturen naar Pilatus die, zoals we weten, na het vonnis zijn handen zou wassen in onschuld. Uit historische teksten valt af te leiden dat rond die tijd Pilatus' job bedreigd werd: hij zou zwichten voor de onbillijke eisen van een uitzinnige joodse menigte, omdat hij bang was dat men hem anders bij de keizer in opspraak zou brengen.
Het is vandaag de drieëntwintigste december van het jaar 2006. Goed 2000 jaar geleden omstreeks deze tijd, zoals we allen weten, werd Herodes Antipas door de wijzen uit het Oosten geïnformeerd over het feit dat de lang verwachte koning van de Joden moest zijn geboren; ze hadden immers zijn ster gezien, en ze wilden weten waar Hij dan geboren was, teneinde hem offers te kunnen brengen. Herodes zag zijn troon bedreigd. Hij raadpleegde de schriftgeleerden, die hem zegden dat, volgens het boek Micha, Herodes' vermeende concurrent het levenslicht zou zien te Bethlehem. Daarop liet Herodes een volkstelling houden.
Een koning telt zijn volk om aan de weet te komen hoeveel onderdanen hij wel heeft. Het bekomen getal drukt zijn eigen, persoonlijke macht uit. Elke onderdaan apart wordt, in de telling, herleid tot een 'eentje', en het aantal van die 'eentjes' komt dan aan de koning toe, als zijn wezenlijk attribuut. De kwaliteit van elk 'eentje' afzonderlijk, speelt in de telling niet de minste rol. Naar het telbureau gaan, betekent voor een onderdaan niets anders dan zichzelf herleiden tot zo'n 'eentje', beamen dat men een 'eentje' is, ermee instemmen dat men een element is van het getal dat de macht van de koning uitdrukt. Zich laten tellen, betekent dan wezenlijk niets anders dan de machteloosheid van zijn mens-zijn zelf erkennen. De kwaliteit van het mens-zijn betekent in de telling, die dit machtsspel uitdrukt, immers helemaal niets. Meegeteld-worden in de wereld staat synoniem voor niet-geteld-worden als mens. Geteld-worden als burger staat gelijk aan gedood-worden als mens. Er is geen krachtiger middel om uitdrukking te geven aan het feit dat er in deze wereld geen plaats is voor de mens als mens, dan in het gebeuren van de volkstelling. En hetzelfde geldt wellicht vandaag nog steeds, zij het in enigszins andere vormen.
Edoch, de volkstellingen van vandaag dienen niet langer meer om de macht van de heersers uit te drukken. Nu er sprake is van 'overbevolking', heeft het getal dat de macht van een land placht uit te drukken, een wrange bijklank gekregen: er moeten 'eentjes' weg, want men zegt dat er op de wereld geen plaats meer is voor alle 'eentjes', nu zij veeleer een last dan een macht lijken te vertolken. De 'eentjes' gaan onderling ruziën over wie al dan niet geteld zal worden, want allemaal willen zij meetellen in de wereld. Slechts weinigen van hen beseffen dat hun niet-meegeteld-worden in de wereld, hen eigenlijk behoedt voor hun ondergang als mens.
Misschien zijn de mensen-zonder-papieren en alle andere niet-getelden wel precies diegenen over wie zich de beschermende takken van een wonderbare palmboom uitspreiden, die hun gedaanten quasi onzichtbaar maken. Misschien zijn zij het die, in deze wereld van harteloze tellingen, het voortbestaan van de mens zelf moeten garanderen. Misschien zijn zij wel de Messias, welke al diegenen die zo dringend willen meetellen, in deze tijd van het jaar beweren te vieren.
© Jan Bauwens, Serskamp 2006
Gepost door: OMSK op 23-12-2006 om 21:17
|
|
18-12-2006 - ‘A Christmas Carol’ ‘A Christmas Carol’
Het is niet onwaar dat het rijkere deel van de wereld, waartoe ook wij zouden behoren, een drastisch toenemende armoede kent op het vlak van het niet-materiële. Maar soms herhaalt men dat zo dikwijls dat het wel lijkt alsof de materiële armoede voltooid verleden tijd was. Niets is minder waar.
Voor een groot stuk komen de zogenaamd ‘geestelijke’ noden rechtstreeks voort uit materiële. Bovendien zorgt een met enorme taboes omringde verbloeming ervoor dat geestelijke nood sinds oudsher ‘rijkdom’ heet. Een één-oog in het land der blinden kan dit weliswaar opmerken; een ziende echter zou terstond het voorbeeld volgen van Sophocles’ Oedipus, en zich meteen eigenhandig van het zicht beroven. En niets is minder waar dan dat dit land van melk en honing geen zienden meer verdraagt. Seattle’s profetie werd zowaar allang bewaarheid. “Het zien van uw steden doet pijn aan de ogen�.
De mens, ooit diep verbonden met zijn natuur, door hem aanbeden als een gemalin, werd verdreven uit de bossen en van de akkers verjaagd. Het volk, ooit samen-levend in stamverband en in familiekring, werd uit zijn biotoop gerukt en gekazerneerd in steden, om daar te worden verbruikt als arbeidskracht, precies zoals het vee in zijn stallen van weleer. Ik hoef Marx niet te herhalen, maar zelfs Marx is heden achterhaald.
Ook uit de eigen stenen huizen werd het volk verdreven. Wij huren nu, of wij betalen eeuwig af, wat op hetzelfde neerkomt. Wij huren een dak, een burgerschap, en zelfs een eigen identiteit, of wat daarvoor moet doorgaan. En of ik dat meen?
Mijn beste: de meest fundamentele nood van een mens, is zijn nood aan medemensen: zijn nood aan menselijk contact. En zijn ergste gebrek is dat hij de schijn hoog wil houden dat hij dat zou kunnen missen. Het allerergste is, te moeten leven in gevangenschap. De isoleercel is nog wreedaardiger. In een mum van tijd maakt ze van een mens een wrak - doeltreffender dan de zogenaamde ‘cold turkey’ voor de drugsverslaafde is. Welnu, voor het bevredigen van die fundamentele nood wordt heden geld geëist, veel geld.
Waar zijn de meidoorns waaronder men ‘s avonds samentroepte rond de oude vertellers van het dorp, terwijl de kwajongens meikevers vingen? Waar zijn de ‘staminees’ - ooit was er om het andere huis eentje - waar elkeen welkom was voor een oude jenever en een praatje van een uur of twee - de dag was lang. Waar is de tijd dat je iemand nieuw kon aanspreken zonder vanaf dat moment door te moeten gaan voor niet goed snik? Euro’s moet je heden hebben, want de zaken moeten draaien, en als de bankkaart leeg is, sta je zo weer op straat. En zelfs daar ben je niet langer welkom.
Leven wij niet in een tijd waarin het volk tot een verzameling van enkelingen is teruggebracht? “Elke zot in zijn eigen kot�, zoals de wevers ooit zegden bij het haspelen van de draden door de hevels. Of wij het willen of niet: het algemene contacttaboe is reeds een feit dat over deze rijke wereld heerst, en wee diegene die het te schenden durft. Elke zot zit nu voorgoed in zijn eigen kot met zijn peeceetje dat straks de regering gratis uitdeelt aan wie het vooralsnog niet mist.
Ik ga de rapporten nu niet citeren, maar wetenschappelijk onderzoek heeft overtuigend aangetoond dat virtuele werelden, hoe fantasierijk ook, de werkelijkheid niet kunnen vervangen zonder dat zij tevens hun bewoners ‘virtualiseren’. En het neologisme dat u hier prompt ziet staan, is inderdaad een synoniem voor ‘gek maken’. De maandelijkse huur die wij betalen voor het internet is klein bier vergeleken bij zijn ware tol. Het kuieren in droomwerelden is slechts mogelijk voor uit dezelfde droomstof samengestelde identiteiten.
De gevaren van intensief internetgebruik zijn vergelijkbaar met die van gokverslaving, drugsverslaving, of eender welke vorm van verregaande afhankelijkheid. Het zich kluisteren aan een computerscherm verschaft het slachtoffer daarvan een zich eindeloos verkappende vorm van een illusie van vrijheid. In niets onderscheidt zich de freak nog van Dickens’ Ebenezer Scrooge, die zijn grootste geluk denkt te beleven in het tellen en hertellen van zijn centen. En het leven zelf moet eraan geloven.
U kent ‘A Christmas Carol’ wel, beste mede-internetter: naarmate het verhaal vordert, wordt Scrooge bezocht door steeds gruwelijkere fantomen. Zij waarschuwen hem dat hij het echte leven mist, dat op hem wacht. Dickens, de brave man, zorgt voor een 'happy end' - het is tenslotte een kerstverhaal.
[Eerder verschenen op de blog Tisallemaiet van 28 mei 2006]
Gepost door: OMSK op 18-12-2006 om 19:47
|
|
14-12-2006 - De Tumor DE TUMOR
1.
Er zijn mensen die zwemmen in de rijkdom; ze bezitten een fantastisch groot huis, een kasteel zou je zeggen als je er voor staat, dat omringd is met stijlvolle tuinen waarin de zeldzaamste bloemen en planten te vinden zijn en waarin ’s avonds een licht geruis van kleurlichtend water uit even stijlvolle fonteintjes en vijvertjes hoorbaar is. En in die vijvertjes zwemmen dan de merkwaardigste vissen van onvoorstelbare afmetingen onder eeuwig bloeiende lotussen en waterlelies. In gezelschap van enkele fijne musici gaan die rijkelui dan ’s avonds in hun tuin of op hun terras zitten terwijl ze rustig luisteren naar de muziek en nu en dan eens iets zeggen over de wijn of de champagne die ze drinken uit kristallen glazen met echte gouden randen en die ze soms tegen elkaar tikken om zich van hun verbondenheid met het zich verwonderend gezelschap te vergewissen. Smaakvol zijn ze gekleed en bij het rood worden van de zon, wanneer je hen van op afstand ergens achter in de tuin in het vizier zou nemen, zou je denken dat het vlinders zijn: frisse vlinders die kunnen schateren en die zich nu en dan eens dartelend verplaatsen zoals het water van de fonteintjes, door het zoete en geurende exterieur.
Hen aldus bespiedend zou je de mooiste gedichten van de heilige Gorter erbij kunnen verzinnen en de stem van tal van Franse fijne poëten zou hoorbaar worden in het klokken van het water en het zingen van een nachtegaal. En wanneer het dan buiten koud geworden zou zijn omdat de nacht viel, en wanneer allerlei verwonderde insecten en nachtvlinders die naar het licht toegekomen zouden zijn de sfeer braken, zou je zien hoe ze zich allen naar buiten begaven om daar hun culturele happening, nu ernstiger, voort te zetten, in een climax die stilaan iets dichterlijks maar ook iets bovennatuurlijks, iets griezeligs zelfs, verspreidde.
Het valt je eigenlijk moeilijk, wanneer je zelf slechts een arme drommel bent die blij mag zijn dat nog een dak boven het hoofd heeft en elke dag wat spijs om de honger te stillen, om je van zulke plaatsen en ook van de mensen die zulke plaatsen bewonen, een beeld te vormen.
Zelf wandel je in de vroege ochtend naar de koestallen in ben je blij dat je in ruil voor wat melk en boter mag helpen bij het melken en het schoonmaken, en je ziet op je weg, als de ochtendmist niet te dik hangt, het kasteel dat nog slaapt en waarin zich dagelijks die festijnen afspelen waarover veel gesproken wordt maar weinig geweten is. En als je dan ’s avonds van de akkers naar huis terugkeert en je bent doodmoe en tevreden, laat het je eigenlijk koud wat er weeral wakker aan ’t worden is tussen die sluimerende bomen in de tuinen van het kasteel. Je weet alleen dat de bewoners ervan niet meer naar buiten gereden zullen komen in sierlijke koetsen, misschien nog een verachtende of vriendelijke blik op jou zullen laten vallen en dan weer verder rijden naar een plaats die je niet kent en niet wilt gissen, want je weet tevens dat de tijd van de middeleeuwen lang voorbij is en dat deze rijkelui zich nog slechts onopgemerkt in supersnelle wagens voortbewegen in de richting van de snelwegen die naar grotere werelden voeren, werelden waar grotere dingen gebeuren waarvan je geen idee hebt, maar waarvan je toch weet dat ze gebeuren. En alhoewel het kasteel elke dag in je vermoeide blik valt en zo nabij is, is het verder van je afgelegen dan de maan die je tenminste kunt zien in haar regelmaat van vormen. Het kasteel wordt voor jou zonder betekenis, tenzij dan in zijn mysterieusheid waarvan je niet hoopt maar toch ook niet zou moeten schrikken als dat mysterie op een dag door een toeval zou uitlekken omdat bijvoorbeeld een van de dames die daar toevallig geen supersnelle wagen ter beschikking zou hebben, plotseling en onverwacht bij jou zou aankloppen op hulp te vragen omdat ze erg ziek geworden zou zijn terwijl de telefoon het had laten afweten.
Maar voorts bezoedelen noch het kasteel noch een van zijn bewoners je gedachten, omdat je gedachten met andere dingen verbonden zijn die wel veelbetekenend voor je zijn omdat ze je het leven en de arbeid mogelijk maken. Je bent niet iemand voor wie het feestvieren in kleurige en geurige tuinen enige betekenis zou kunnen hebben. Het interesseert je evenmin om te converseren met stijlvolle figuren die een verzorgde opvoeding hebben genoten in de befaamdste instituten of universiteiten en die zich bewegen in kantoorgebouwen waar ze gedurende enkele ogenblikken aanwezig zijn om er een handtekening te plaatsen of te halen, om een afspraak te maken voor een belangrijke vergadering waar zij een nog belangrijkere beslissing zullen moeten gaan nemen die hen gedurende lange tijd van hun slaap zal beroven omdat ze risico’s van het hoogste niveau inhoudt. En stijlvolle tuinen met fonteinen en vijvers met reusachtige vissen, zeldzame bloemen en planten, prinsessen die er uitzien als frisse vlinders die kunnen schateren en die champagne drinken uit kristallen glaasjes, bestaan alleen maar voor jou in de sprookjes die je als kind verteld werden als je ging slapen, opdat je zoete en weelderige dromen gehad zou hebben. Maar je had er geen zoete dromen van: je droomde alleen maar van het kasteel, waar het allemaal écht gebeurde, want je had het gezien toen je op een avond was gaan gluren, achter in de tuin. Je had ze gezien, de fonteinen en de vijvertjes en de muzikanten. Het had je lange tijd beziggehouden je had er met niemand van gerept omdat er van jou niet verwacht wordt dat je gaat gluren, en daarom had je er lange tijd over gedroomd.
Je droomde dan dat je de butler was, omdat je de butler van het kasteel kende: hij had je eens je voetbal teruggebracht toen die in het spel ergens tussen de bomen van het kasteel gevlogen was en in een vijver terecht was gekomen. En toen je de plons hoorde en nog even twijfelde of je nu zou gaan lopen ofwel zou aanbellen om te vragen of je je bal mocht terughalen uit de vijver, kwam de butler glimlachend met de bal te voorschijn. Een reusachtige man met een hangbuik en een kale knikker, in een vest waarop gouden kettingen hingen te rinkelen. Hij overhandigde je glimlachend de bal zonder ook maar iets te zeggen en pas toen hij weer weggegaan was, wist je dat je vergeten was "dank u" te zeggen, maar roepen durfde je dan ook niet meer en je ging verlegen en vereerd een heel eind verder spelen, opdat dit geen tweede maal zou gebeuren. En het was diezelfde dag, dat je even was gaan gluren, van achter in de tuin, en dat je gezien had dat de sprookjes die men je vertelde daar werkelijkheid waren.
Je droomde dat je de butler was, omdat je hem als de machtigste man van het kasteel beschouwde: je had gezien hoe hij zich vrij en gezwind tussen de frisse vlinders bewoog met de schotels met de kristallen glazen en je dacht dat hij de man was die ongeveer volmaakt kan weten wat er zich afspeelde in het kasteel en onder zijn bewoners: hij was het oog en het oor dat zich schuilhield achter de schotels en de glazen. Hij sprak niet, maar hij wist. Maar de butler die je zelf was in je dromen, wist niets en stelde zich alleen maar vragen: het was alsof hij slechts van achter in de tuin aan het gluren was. En sedert de dag dat je niet meer van het kasteel droomde, vergat je het ook en ging het behoren tot de nietsbeduidende dingen uit je omgeving.
Het kasteel verdween uit je gedachten, maar je vergat het toch niet volledig. Alhoewel het verder nietsbetekenend voor je was, bleef het er toch als een ding, als een nietsbetekenend ding. Het bestond voor je, eerst in je dromen, als een kleine, nietsbetekenende plaats en later, toen je ouder was geworden, verkreeg het ook gestalte in je geest, als een onschuldige, nietsbetekenende gedachte. Het veroverde een kleine plaats in je brein, in je hersenen, als een nietsbeduidend, klein kwabje, een kleine onschuldige tumor.
Alhoewel dat voor jou geen aanleiding was tot geklaag of zelfs niet tot gefilosofeer, besefte je toch maar al te goed dat je nu eenmaal niet behoorde tot die klasse van mensen met klasse, zoals er enkelen niet ver van je eigen huis woonden. Je was een gewoon mens zoals de meesten gewone mensen zijn, aan wie het aan klasse ontbrak, maar die toch ergens klasse hadden die ze heimelijk meer waard achtten dan de klasse van rijkelui. Je had gevoel voor eer en recht en menselijkheid, en soms dacht je wel dat je die eigenschap meer had dan die rijkelui: je dacht dat die rijkelui die kastelen bewoonden en in supersnelle wagens reden, zich klasse verwierven omdat ze gebrek hadden aan echte klasse, het eergevoel en het gevoel voor recht en rede. Maar je twijfelde er ook aan of het inderdaad zo was, want het waren dingen die je slechts wist van horen zeggen en je wist dat je nooit kon geloven wat je van horen zeggen te weten was gekomen. Zeker was, dat je niet de klasse had die zij wel hadden. Je wist niet waarom dit zo was, omdat je nog dacht in termen van verdienste: waarom hebben zij verdiend wat jij niet hebt verdiend? En waarom wilde je er ook niet langer over nadenken.
Je was een gewone landarbeider en op een dag was je in het huwelijk getreden met een meisje uit je omgeving, omdat je een gezin wilde en een aantal kinderen die net als jijzelf zouden opgroeien tot landarbeiders en die misschien net als jij zouden dromen van het kasteel en zijn bewoners totdat ook zij zouden inzien dat het kasteel slechts een nietsbetekenend ding in hun omgeving was.
Het kasteel zou uit hun gedachten verdwijnen en zich ergens onbeduidend als een onschuldige tumor in hun hersenen nestelen.
Maar toen kwam de dag dat je moest inzien dat je vrouw je geen kinderen zou kunnen schenken omdat ze ernstig ziek geworden was, terwijl je nooit gedacht had dat zoiets kon gebeuren. Je was opstandig geworden in jezelf en ’s nachts was er een schim komen opdagen die je gevraagd had of je misschien verdrietig was omdat je je tumor niet kon voortplanten.
Je deed alles wat in je macht lag om je vrouw te genezen, tot op het ogenblik dat men je ervan kon overtuigen dat zij ongeneeslijk ziek geworden was en toen deed je alles om te beletten dat ze zou sterven, maar je zag dat je welgemeende inspanningen niet mochten baten omdat duistere machten zich al lange tijd meester van je huis gemaakt hadden. En op een dag, tegen de avond, was je alleen met je vrouw en zat je samen met haar bij de haard te zwijgen. Geen van jullie had die avond al een woord gesproken, alsof er plotseling niets meer was dat nog gezegd kon worden zonder dat het nietsbetekenend was. En toen keek je vrouw je angstig aan en zei ze tegen je dat het net was alsof ze geen adem meer kon halen. Je zag hoe ze bleek geworden was en het hoofd krachteloos opzij liet vallen. Je was op haar toegestormd en had haar in je armen genomen, maar ze gaf geen blijk meer van kracht of van zin om meer te zeggen dan datgene wat ze net gezegd had: dat het net was alsof ze geen adem meer kon halen.
Op dat ogenblik was je zonder nog na te denken naar buiten gelopen, naar het kasteel. Plotseling was er niets meer waarvoor je nog zou moeten terugschrikken en je zag in het kasteel alleen nog maar de mogelijkheid, de enige mogelijkheid, om het leven van je vrouw te redden. Als een bezetene rende je naar het kasteel. Het zware ijzeren hek was vergrendeld en je klauterde er zonder nadenken over en liep langs het kronkelende pad in de dichte duisternis naar het reusachtige gebouw, dat steeds reusachtiger werd naarmate je dichterbij kwam. Je zag nergens licht branden en daarom liep je koortsachtig om het gebouw heen om de deur te kunnen vinden en aan te kunnen bellen om hulp te vragen en het leven van je vrouw te redden. Maar toen je de deur van het kasteel niet kon vinden omdat de duisternis je belette te zien, had je met je handen haastig over de grond getast om stenen op te rapen en tegen de ramen te gooien en je vond stenen en gooide die tegen de ruiten en je was beginnen te roepen en te schreeuwen opdat iemand je zou horen en wakker zou worden en naar beneden zou komen om je te helpen en om je vrouw met zijn supersnelle wagen naar de stad te brengen waar een dokter was die haar zou genezen. En toen je steeds ongeduldiger en luider beginnen te roepen was en zag dat niemand je hoorde omdat er nergens een deur of een raam openging of een licht werd aangestoken, zag je dat er niemand was om hulp te bieden en je was weer terug gerend, terwijl je nog even halt hield en omkeek om je ervan te overtuigen dat je je niet vergist had. Van aan het hek had je nogmaals geroepen en dan was je weer over het hek geklauterd en toen je aan de andere zijde naar beneden gevallen was, voelde je een scheut van pijn en merkte je dat je niet meer op je linkerbeen kon steunen. Je sleepte jezelf voort in de richting van je huis en je dacht er alleen nog maar aan, je vrouw nog eens te kunnen zien, haar nog iets te kunnen zeggen, haar nog te kunnen zeggen dat je van haar hield, dat je altijd van haar had gehouden en dat je het haar niet kwalijk had genomen dat ze jou geen kinderen had geschonken en dat je haar zou genezen. Je proefde bloed in je mond, maar dat gaf je alleen maar een gevoel van kracht en je sleepte je verder. Je duwde de deur van je huis open terwijl je luid de naam van je vrouw riep en je zag dat ze half uit haar fauteuil was gevallen en je trachtte haar rechtop te zetten terwijl je haar omhelsde en kuste en vroeg dat ze toch iets zou zeggen, want het was zo duister geworden…
Toen je weer tot bewustzijn was gekomen, zag je dat je in het huis van de landarbeider was: je herkende de kamer waar je lag, omdat daar de lege melkkannen gezet werden die je elke ochtend mee kwam halen als je naar de koestallen ging om te melken en schoon te maken. Je begreep dat er niemand anders in de kamer was, omdat het dag was, en omdat er gewerkt moest worden op de akkers. En toen je daar een lange tijd had gelegen en had nagedacht, was de boerin naar binnen gekomen in de kamer waar je lag op het grote bed. Ze bracht je een beker warme melk die je rustig leegdronk, maar je zag dat ze ernstig bleef kijken en niet glimlachte. Je begreep enkele dingen, maar je wist niet hoelang je daar gelegen had en daarom vroeg je aan de vrouw hoe laat het wel was. Ze had je gezegd dat het avond werd en dat de arbeiders weldra van de akkers terug zouden zijn en dat je je niet ongerust hoefde te maken, dat het allemaal wel beter zou worden. Je wist niet hoelang je vrouw al dood was, of ze al begraven was, of ze misschien nog leefde, en je zei tegen de boerin dat je haar graag nog eens had gezien. Daarna zag je hoe de vrouw je een ogenblik had aangekeken en dan weer was weggegaan omdat er niets meer was dat ze je had kunnen zeggen. Je was weer weggezonken in een zieke slaap waarmee je al vertrouwd geworden was, terwijl je alleen nog een immens spijtige gedachte begeleidde en een kleine onbenullige hersentumor: een reusachtig kasteel met kleine dwergachtig bewoners die bijna onhoorbaar uit de vensters hingen te lachen.
Je begreep dat je slechts een gewone landarbeider was, die nu ziek was en niet in staat was zich te verzetten tegen het lot dat laf geweest was. Maar je legde je ook neer bij de dingen omdat je begreep dat je slechts een mens was, een sterveling. Evenals je vertrouwd was met de akkers en de koestallen, had het leven je vertouwd gemaakt met de dood en daarom zag je je eigen leed om je vrouw als een zwakheid die je wilde overwinnen en die je overwon door je tanden op elkaar te klemmen, dagenlang.
Je wist dat je zou genezen en dat het zinloos was en slechts van lafheid getuigde jezelf dood te wensen, en daarom wilde je genezen en genas je ook en wilde je weer op de akkers en in de koestallen gaan werken. Je wilde het verleden vergeten. Maar toen je merkte dat je linkerbeen niet meer helemaal zou genezen, zag je in dat je het verleden nooit meer zou kunnen vergeten omdat het je een teken had meegegeven, een teken dat je er steeds zou aan herinneren. Het gebeuren had je getekend en je werd een teken van datgene wat gebeurd was. De landarbeiders duldden het dat je je intrek bij hen nam, dat je hun brood mee at en dat je samen met hen aan tafel bad, maar je voelde jezelf als een last voor hen omdat je niet meer in staat was te werken zoals je het voorheen had gekund en je verweet jezelf dat je niet meer in staat was te werken zoals voorheen. Je werd geduld omdat je het slachtoffer van een ongeval geworden was, terwijl je de rol van slachtoffer niet wilde aanvaarden. Je wilde die schuld of dat gevoel van schuld van je schouders afschudden en stilaan begon je het kasteel en zijn bewoners te vervloeken. Je begon hen te haten en heimelijk onheil toe te wensen, zonder dat iemand anders daar iets van af wist. De kleine en onschuldige tumor in je hersenen begon zich te ontwikkelen tot een gestalte die zich dagelijks manifesteerde in wraakgevoelens die je in jezelf opkropte en waarmee je nergens terecht kon. Je beeldde je in, hoe het kasteel de oorzaak was van al je ellende, van de dood van je vrouw. En je herinnerde je de schim die je op een nacht was komen opzoeken toen je wist dat je vrouw je geen kinderen zou kunnen schenken. Je herinnerde je hoe die schim, die je bespot had, niemand of niets anders geweest kon zijn dan het kasteel zelf en je geraakte ervan overtuigd dat het de geest van het kasteel was die je wilde sarren. En op een nacht, toen je weer in een koortsslaap verzonken was, bezocht die schim je weer.
Ze was nu niet slechts een schaduw, zoals de vorige keer, maar ze was gekomen in de gedaante van een vrouw die er uitzag als een frisse vlinder die schaterde en zich dartelend voortbewoog rond het bed. Ze beloofde je dat ze jou kinderen zou schenken. Kinderen die niet zouden dromen van het kasteel en zijn bewoners en voor wie het kasteel niet een nietsbeduidend ding zou zijn dat uit hun gedachten zou verdwijnen en zich ergens onbeduidend als een onschuldige tumor in hun hersenen zou nestelen, omdat het kinderen zouden zijn die tot het kasteel zelf behoorden.
In angstzweet werd je wakker en je durfde nauwelijks aan je nachtmerrie terug te denken. Maar de schim liet je niet los en kwam terug, als een frisse vlinder met een steeds verleidelijkere dartelheid. Je zag haar in nachtjapon voor je ogen dansen en je hoorde hoe ze trachtte je te overreden met haar stijlvolle en geslepen taal. Je vluchtte weg van haar en je grabbelde naar je oorkussen om weer wakker te kunnen worden en helder te kunnen zien. En het gebeurde elke nacht weer. Elke nacht verscheen zij aan je bed en wenkte ze je mee naar haar tuinen, tot op de dag dat zij wegbleef. En je dankte de hemel dat je door die schim met rust gelaten werd.
Je sliep nu beter. Het was stilaan zomer geworden en je kon gaan wandelen langs de akkers en de groeiende vruchten van het veld weer bekijken en het maakte je blij dat je de arbeid nog kon zien, hoewel je zelf nog niet in staat was om te werken. Je probeerde het en het lukte je tenslotte en je been genas. Als volwaardig landarbeider werd je weer aangenomen en je was blij dat je een landarbeider was. Na de oogst werd er feest gevierd, wat voor jou een hemel betekende en de dans en de drank maakten alles weer goed en zalig. Toen de avond gevallen was, was je zo opgewekt en uitgelaten geworden en tegelijkertijd had je zo’n behoefte aan eenzaamheid gevoeld om je geluk in volle teugen te kunnen drinken, dat je weer de akkers in zwierf terwijl je zong en kreten van weelde slaakte. Je wandelde over de korenstoppels en je liet je languit vallen terwijl je in de verzadigde avondlucht keek. Je sloot je ogen droomde weg.
Een kriebeling op je gelaat maakte je wakker. Het was pikdonker geworden. Je zag de zwarte lucht en de gestalte van een vrouw. Ze lachte je vriendelijk toe en trok je recht bij je hand. Ze was jong en mooi en haar ogen waren als diepe vijvers, haar jurk als een bloem over haar frisse, jonge lichaam. Je was nog slaapdronken en zonder dat je het besefte, had ze je bij de hand meegetrokken tot op de zitbank van haar wagen. Je sloot je vermoeide ogen, terwijl zij verder reed en je voelde hoe je haar kon vertrouwen. Je had niet de behoefte iets te zeggen of te vragen omdat je het alleen maar zalig vond. En ze reed met je weg, naar je bestemming…
Je voelde je houten kop bij het wakker worden en realiseerde je dat je in je dronkenschap dwaze dingen had gedaan. Toen je rond je keek in het felle licht, zag je jezelf in een bed, met een vrouw naast je. Je herkende haar: het was je schim. Het was de vrouw die je de avond voordien had meegevoerd in haar wagen. Je sprong op en je vroeg je af waar je was. Buiten zag je reusachtige bomen en in de diepte spiegelden vijvertjes met fonteinen, omgeven door kleurige bloemenperken.
De schim was wakker geworden en glimlachte. Je zei dat je er weg wilde gaan, dat je terug wilde omdat je moest werken en toen je dat gezegd had zei de vrouw tegen je dat je moest blijven, dat ze wenste dat je bij haar bleef en dat je niet meer zou hoeven te werken. Je bood weerstand, je verzette je, je begon te roepen en zij zei dat er niemand was naar wie je nog kon teruggaan.
Je ging op de rand van het bed zitten en je dacht diep na. Je bekeek de vrouw aandachtig. Je bekeek de kamer aandachtig. En je vroeg dat zij voor jou koffie zou zetten. Je had tijd nodig om na te denken, want je wist dat je niemand meer had naar wie je zou kunnen teruggaan: je zou teruggegaan zijn naar de landarbeiders en je zou gezien hebben dat je alleen was tussen hen. Je had het je nog niet gerealiseerd omdat je te blij was met je genezing. Maar de gedachte dat je voortaan alleen zou zijn, begon vorm te krijgen in jezelf. En daar tegenover was er de vrouw die je vroeg dat je daar zou blijven.
Daarom had je eerst tijd nodig, en ruimte, en koffie. Je besefte dat je niet iemand was die beslissingen kon berekenen: je zou er lang over na moeten denken en het zou je te veel tijd kosten vooraleer je zou voelen wat je ging doen. Je wist niet meer of je nachtmerries nu werkelijkheid geworden waren en je wist ook niet meer of je wel ooit nachtmerries had gehad. Je wilde alleen koffie drinken en de vrouw bekijken en met haar praten
Pas wanneer de dingen lang vergaan zijn begrijp je dat er een noodlottigheid bestond, een bestemming waartoe je in zekere zin voorbestemd was. Het werd je nooit eerder duidelijk tot op het ogenblik dat het allemaal tot het verleden ging behoren. En wanneer er dan een dag komt dat je die zo zeldzame rust komt bezoeken in al haar onschuld, besef je het. Je merkt hoe je slechts op sleeptouw genomen werd, terwijl je nochtans dacht dat je handelde en leefde. Je ziet jezelf zitten, ’s avonds, op een terras van een groot huis dat je als kind eens bespiedde van achter in de grote tuin, omringd door zeldzame bloemen en planten, tussen frisse vijvers met fonteintjes waarin reusachtige vissen zwemmen. En aan je zijde spelen enkele fijne musici kamermuziek van Bach en Haendel. Er is een butler die je wijn of champagne brengt en wat valt er nog meer te zeggen dan dat de drank een ietsje te jong of te oud smaakt. Naast je zit je vrouw die je begeleidt in je leegheid en wanneer het kouder begin te worden en de verwonderde insecten naar het licht komen toegevlogen, wordt er maar besloten om binnen te gaan zitten. Je bent verzwolgen door de tumor die buiten je weten een reusachtige wereld is geworden waarin je je nog stuntelig en leeg geworden voortbeweegt.
Je herinnert je, wanneer je naar binnen gegaan bent, hoe je, toen je nog op het terras zat, achter in de tuin, tussen de struiken, een jongetje zag dat je bespiedde en je reageerde niet omdat je dat ooit zelf gedaan had toen je nog jong was. Je hoopte alleen maar dat hij niet dezelfde weg zou opgaan als je zelf was gegaan, omdat je slechts in een leegte kon belanden die ver afgelegen was van het echte leven; maar je besefte dat het nutteloos was om dit te hopen, alleen al omdat hoop op zich nutteloos was. En pas toen je voelde dat je nu helemaal overwoekerd was door je tumor, ging deze je parten spelen.
Je begreep wat er gebeurd was, maar je kon de stap terug niet meer zetten omdat men nooit een stap terug kan zetten. Je wist dat, toen je je nog in het ware leven bewoog, je het sprookje kende of de illusie. En door je eigen gluren was het gekomen dat je op een dag de illusie met de werkelijkheid ging verwarren. Je liet de werkelijkheid niet los, omdat het echte leven je dierbaar was, tot de dag dat je moest leren inzien dat het echte leven zo zwaar was en zo onherroepelijk tot de dood voerde. Dat brak uiteindelijk je laatste weerstand en je liet je door de illusie verleiden. En toen je zag dat de illusie je had opgeslorpt, zag je ook dat je naar het echte leven niet meer terug kon gaan, omdat je nooit meer terug kan gaan, als je eenmaal iets verlaten hebt. Je zou voortaan in de illusie leven en je besefte dat je geen deel meer kon hebben aan de dingen die buiten die illusie gelegen waren. Je had het zware van het leven, de dood, ontvlucht, door reeds voortijdig te sterven in de illusie. En vanaf dat ogenblik kon je je nog voortbewegen in een tumor waarvan jijzelf het groeiferment was geworden.
Voorgoed had je nu het contact met de mooie akkers verloren en omdat je je vervloekt voelde, daar je niet meer verwacht werd bij het krieken van de dag om de grond te bewerken, om te zaaien en om te oogsten, restte je niets anders meer dan de vlucht: je had nog slechts de grote tumor om in leven te houden, tot woekeren te brengen, tot almacht te brengen, en dat deed je, omdat je duidelijk inzag dat je niets anders meer kon doen.
Je dagen waren nu helemaal anders geworden dan voordien, toen je nog gewekt werd door het kraaien van de haan en toen je bij het vallen van de avond ging slapen om uit te rusten. Als je nu wakker werd, zag je noch het licht, noch de zon, en je voelde niet meer of je had er ook geen behoefte meer aan te voelen of het warm of koud was buiten, of het regende of sneeuwde of hagelde of mistte. Je vrouw zette je je kop koffie en je at niet omdat je geen arbeid meer hoefde te verrichten en omdat je telkens weer de avond voordien te veel gedronken had. Dan liet je je door je butler naar de grote stad brengen in je supersnelle wagen, waar je enkele kantoorgebouwen bezocht om handtekeningen te plaatsen en te eisen, en om een afspraak te maken voor belangrijke vergaderingen waarop je nog belangrijkere beslissingen zou moeten nemen die je van je nachtrust zouden beroven omdat ze heel wat risico’s inhielden. En gedurende de tijd dat je met rust gelaten werd, sloot je je op in je elektrisch verlichte kamer om na te denken, tenminste als je niet dronk. Maar omdat je niet voortdurend kon drinken, want het drinken maakte je ziek, bleven er vele uren over waarin je in je elektrisch verlichte kamer kon gaan zitten om na te denken. Om een poging te doen tot nadenken.
En toen je trachtte na te denken, beeldde je je in wat de landarbeider zich wel moest afvragen over jou: hij zou zich beslist afvragen waar je het dan toch verdiend had dat je je in supersnelle wagens kon verplaatsen en dat je het je kon veroorloven om ’s avonds met een fijn gezelschap op je terras champagne te drinken uit kristallen glazen met gouden randen, omgeven door de zeldzaamste bloemen en planten, in tuinen waar het fonteinwater neerkabbelde in koele spiegelende vijvertjes waarin reusachtige vissen zwommen. Je wist dat de landarbeider zich dit alles afvroeg en je wist ook dat hij die dingen niet kon begrijpen omdat hij nog in termen van verdienste dacht en dat hij daarom zou ophouden met daarover nog langer na te denken. Hij was een gewone landarbeider die op een dag in het huwelijk was getreden met een meisje uit zijn omgeving, omdat hij een gezin wilde stichten en een aantal kinderen wilde die, net als hijzelf, zouden opgroeien tot landarbeiders en die misschien, net als hijzelf, zouden dromen van het kasteel, totdat ze zouden inzien dat het slechts een nietsbetekenend ding uit hun omgeving was. Het kasteel zou uit hun gedachten verdwijnen en zich ergens onbeduidend als een onschuldige tumor in hun hersenen nestelen.
Je trachtte aldus na te denken, en je trachtte nog verder te denken dan dat. Je wist dat die landarbeider op een dag zou inzien dat zijn vrouw hem geen kinderen zou kunnen schenken en dat hij daarom opstandig geworden was. Je wist dat hij alles in het werk stelde om haar te genezen en je wist ook dat zij nooit meer genezen zou kunnen worden omdat zij ongeneeslijk ziek was. Je wist dat er een dag zou komen waarop de landarbeider samen met zijn vrouw ergens bij het vuur zou zitten en dat ze een hele poos zouden zwijgen en dat zijn vrouw hem dan zou zeggen dat het net was alsof ze geen adem meer kon halen. En toen was je plotseling angstig geworden, omdat je je voorstelde dat de landarbeider bij jou om hulp gekomen zou zijn omdat je zijn naaste buur was. Je vreesde ervoor dat dit zou gebeuren, omdat je dan verplicht zou worden hem hulp te bieden, zijn vrouw in je wagen naar de stad te brengen waar er een dokter was die haar zou kunnen helpen bij het genezen of bij het sterven. Je vreesde er intens voor, omdat de vrouw je dan herkend zou hebben.
En het speet je dan enigszins, dat de landarbeider, die nog in termen van verdienste dacht en die nog klasse had in de betekenis van gevoel voor eer en rechtschapenheid, dat hij zich nooit zou kunnen voorstellen dat jij, die de klasse van de rijkelui had, jij, die je in supersnelle wagens voortbewoog zonder ooit door iemand uit je omgeving opgemerkt te worden, jij, die het je kon veroorloven om ’s avonds in gezelschap van fijne kunstenaars buiten op je terras champagne te drinken uit kristallen glazen met gouden randen, omgeven door zeldzame bloemen en planten, tussen de muziek van waterfonteintjes en vijvers waarin reusachtige vissen zwemmen, omgeven door dartele, frisse, schaterende vlinders - het speet je enigszins dat je in de stad, waar je elke dag heen moest om grotere dingen te doen, om handtekeningen uit te wisselen in kantoorgebouwen, om afspraken te maken voor belangrijke vergaderingen, dat je daar welgeteld vijftienhonderd vrouwen had zitten achter uitstalramen. Het speet je enigszins dat die landarbeider zich nooit had kunnen voorstellen dat ook zijn vrouw je elke maand een aardig kapitaaltje opbracht, want jij dacht nu eenmaal niet meer in termen van eer en van rechtschapenheid.
En toen je zo nadacht, vreesde je ervoor dat de vrouw van de landarbeider op een dag eens zo ziek zou worden, dat hij bij jou zelf om hulp zou komen. Je zou je deuren en vensters gesloten moeten houden opdat je zijn roepen en schreeuwen niet zou moeten aanhoren en als versteend zou je met je hoofd onder je oorkussen blijven liggen opdat hij toch niet zou denken dat je er wel was, want zijn vrouw zou je herkend hebben als je haar naar de stad had weggebracht waar een dokter was die haar zou kunnen genezen of helpen sterven. Ze zou je verraden hebben omdat zij, in het aanschijn van de dood, niets meer te vrezen zou hebben.
En toen je je elektrisch verlichte kamer, waar je had nagedacht, verliet, moest je alweer gaan drinken om je gedachten te kunnen vergeten en rust te vinden.
Je besefte maar al te goed, dat je nooit meer zou kunnen nadenken, zonder dat zich die dingen aan je geest zouden opdringen. Je zou gedoemd zijn verder te gaan op het pad dat je betreden had toen je je door de illusie had laten verleiden, toen je de definitieve stap uit het ware leven gezet had, toen je het leven voorgoed verlaten had en de dood voortijdig was ingegaan.
En toen kwam de dag dat de dingen waarvoor je zo erg gevreesd had, werkelijkheid werden. Je had het ijzeren hek vergrendeld nadat je je vrouw onder allerlei voorwendsels met de butler had weggestuurd voor enkele dagen en je had het kasteel hermetisch gesloten ― het kasteel dat je zelf niet meer kon verlaten omdat je nergens meer een veilige plaats zou kunnen vinden voor jezelf. Je herinnerde je hoe de avond viel en je wist dat het die avond zou gebeuren omdat je de vrouw die opstandiger was geworden, in de stad door een van je handlangers had laten vergiftigen. Je wist dat ze zich niets meer zou herinneren totdat ze zou zeggen dat het net leek of ze geen adem meer kon halen en dat ze daarna zou sterven. En zoals je gevreesd had, wist je ook dat de landarbeider naar je kasteel zou zijn toegelopen om je hulp te vragen. Je kon zijn roepen en schreeuwen niet aanhoren en je was zo enkele uren blijven liggen opdat hij toch niet geweten zou hebben dat je er was, want dan had je hem hulp moeten bieden en zou zijn vrouw je herkend en verraden hebben omdat zij toch niets meer te verliezen had, nu ze in het aanschijn van de dood stond. Het viel je nog mee, dat de landarbeider van je hek naar beneden gevallen was en dat hij, buiten bewustzijn, door zijn mede-arbeiders enkele dagen lang verpleegd moest worden, zodat hij je ’s anderendaags zeker niet kon zien wegrijden van het kasteel. Je had een ogenblik lang niet geweten of je nu al dan niet zijn bloedsporen had moeten uitwissen van het hek tot aan zijn huis, gewoonweg omdat je er te zeer ondersteboven van geweest was. En toen je weer kalm was geworden, wist je dat je dat helemaal niet hoefde te doen, omdat je vrouw en je butler van die dingen op de hoogte waren.
Er kwam een dag dat je je herinnerde dat je zelf ooit landarbeider was geweest. Het was je als arme drommel die nog blij mocht zijn dat hij een dak boven het hoofd had en elke dag wat spijs om de honger te stillen, een zware opgave om je een beeld te vormen van het kasteel en zijn bewoners. Je wist alleen dat ze met supersnelle wagens reden in de richting van de snelwegen die tot grote werelden voeren, werelden waar grotere dingen gebeurden waarvan je je geen beeld kon vormen maar waarvan je toch wist dat ze gebeurden. En je wist ook dat ze ’s avonds op het terrasje champagne dronken uit kristallen glazen met gouden randjes, in het gezelschap van fijne musici en frisse vlinders, omgeven door kleurige bloemperken en fonteinenvijvers waarin reusachtige vissen zwommen, omdat je als kind eens gaan gluren was van achter in de grote tuin van het kasteel. Maar je wist niet dat de vrouw die je zou huwen je geen kinderen had kunnen schenken omdat ze ziek was geworden. Je wist niet dat zij, wanneer ze naar de stad trok om te werken, een van de vijftienhonderd vrouwen was die achter glas in uitstalramen gingen zitten om die kasteelbewoners rijk te houden in ruil voor het vergif dat haar werd toegediend en waarnaar zij verlangde totdat zij het op een dag moest missen en ziek geworden was. En toen je je op die dag die dingen herinnerde, realiseerde je je dat het je eigen vrouw geweest kon zijn die je de dood had in geholpen. En plotseling beving je de angst dat zij zich zou wreken.
Je vreesde dat er een dag zou komen dat je vrouw het slachtoffer zou worden van de wispelturigheid die alle vrouwen overal ter wereld parten speelt, zoals jij het slachtoffer geworden was van de zelfbegoocheling waarvan alle mannen ter wereld de gevolgen moeten dragen en daarom begon je plotseling voor je eigen leven te vrezen.
Je vreesde dat er een dag zou komen dat je vrouw zich zou wreken omdat ze behalve je eigen vrouw ook nog vrouw was zonder meer. Behalve haar verbondenheid met jou, zou ze zich als vrouw met alle andere vrouwen ter wereld nog verbonden voelen en op het ogenblik dat ze zich deze andere verbondenheid zou realiseren, zou ze zich wreken in naam van de Vrouw. Je besefte dat je niet meer zou kunnen ontsnappen aan haar verborgen maar toch reële wraakgevoelens en dat ze jou eens koelbloedig zou vergiftigen en daarna je lijk zou laten verdwijnen. Ze zou zich hierom niet de minste scrupules maken, dat wist je ook, en wanneer ze aldus weer clean zou zijn, zou ze in haar wispelturigheid en geslepenheid de landarbeider verleiden om met haar in het kasteel samen te gaan wonen. En toen je de dingen nog eens klaar overdacht had, zag je in dat alle elementen in dat grote spel kwamen en gingen: de landarbeider kwam en verdiepte zich in de illusie en verging en ook zijn vrouw was vergaan en alle dingen vergingen met hen mee in de grote illusie. Alleen je eigen vrouw, de frisse vlinder die zich ’s avonds dartelend bewoog met het glas champagne tussen de vijvers en de bloemen, alleen zij verging niet, alleen zij was eeuwige getuige van het spel, alleen zij besliste uiteindelijk over alle komen en gaan; zij was het grote brein van de tumor.
En het was op zo’n avond, dat je buiten op het terras had gezeten van je kasteel dat omringd was met stijlvolle tuinen waarin de zeldzaamste bloemen en planten te vinden waren en waarin die avond een licht geruis van kleurlichtend water uit even stijlvolle fonteintjes en vijvertjes hoorbaar was, toen je in het gezelschap van enkele fijne musici champagne dronk uit kristallen glazen met gouden randjes, omgeven door frisse schaterende vlinders, en toen het buiten te koud geworden was omdat de nacht viel over het kasteel en toen allerlei verwonderde insecten en nachtvlinders naar het licht toe kwamen en de sfeer braken, dat je samen met de anderen naar binnen was gegaan om daar de happening, nu ernstiger, voort te zetten, in een climax die stilaan iets dichterlijk maar ook iets bovennatuurlijks, iets griezeligs zelfs, verspreidde.
Je had je verplaatst van het terras van het kasteel naar binnen, waar de butler zoals gewoonlijk alles al had klaargezet wat klaargezet moest worden en mèt die verplaatsing merkte je hoe je ook van het exterieur van je persoonlijkheid naar het interieur ervan gegleden was en hoe al de anderen door het binnenkomen in zichzelf gegleden waren. Je merkte hoe de aandacht van het gezelschap nu niet meer op de sierlijke tuinen en de vijvertjes en de fonteintjes gericht was, maar hoe ze zich tastend concentreerde op een gedeelde zaak die stilaan, in een climax, iets dichterlijks maar ook iets bovennatuurlijks, iets griezeligs zelfs, verspreidde.
Je zag weer, dat datgene wat gebeurde bij elk contact met andere mensen, hier ten volle gestalte verkreeg: aanvankelijk werd er over oppervlakkigheden gepalaverd, over de zeldzame bloemen en planten in de tuin, over de reusachtige vissen in de vijvertjes en over de smaak van de champagne, en dan werd er een ogenblik gezwegen en getast vooraleer men dan over de interne aangelegenheden kon beginnen: men verhuisde naar het interieur.
Je merkte, die avond, toen je op het terrasje had gezeten en toen je naar binnen was gegaan met de anderen, dat de heroriëntatie van het gezelschap, het tasten naar een onderlinge verstandhouding op een gedeelde zaak, opvallend veel tijd in beslag nam en omdat je hiervoor zelf geen andere reden kon vinden behalve dan de gedachte dat je eigen veiligheid in het gedrang gebracht zou worden, ging je, tegen je gewoonte, niet in je aloude sofa zitten, maar op een stoel vlakbij de kast waar je een geladen pistool had liggen. En toen je zag dat het gezelschap plotseling heel vriendelijk was geworden en, tegen alle gewoonten in, voortpraatte over exterieure aangelegenheden die alleen op het terras thuishoorden, werd je van de bedreiging overtuigd en bleef je op je hoede.
Behalve jezelf, waren er die avond nog welgeteld vijf anderen aanwezig: je vrouw, die nu in je eigen sofa was gaan zitten opdat deze niet leeg zou blijven staan zodat er geen woorden zouden vallen over de reden van je plotselinge plaatsverandering, de butler, die vermoeid maar altijd klaar om te springen aan de deur plaats had genomen nadat hij verse champagne had geserveerd, en de drie musici, die elk op een stoel hadden plaatsgenomen in een tegenoverliggende hoek van de kamer en die even pauzeerden om eens van hun glas te drinken.
Je wist dat je vrouw je met wapens zou doden, en niet met vergif, omdat zij wist dat je altijd heel nauwlettend toezag op de dingen die je te eten en te drinken gegeven werden op het kasteel: meestal at je in de stad en smokkelde je van daar ongezien een fles water uit de kraan mee die je op je elektrisch verlichte kamer verstopte opdat je niet zou omkomen van de dorst.
Maar je wist niet dat er zich nog een zevende persoon bij het gezelschap voegde, die avond. Je wist niet dat hij zich toevallig had verstopt, met het medeweten van alle andere aanwezigen behalve jij zelf, in de kast waartegen jij nu aanleunde toen je op die stoel was gaan zitten omdat je argwaan koesterde tegen het gezelschap en je wist ook niet dat het met je eigen wapen was dat hij je het hoekje om zou moeten helpen. Je wist niet dat diegene die wachtte totdat je een geschikte positie zou innemen van waar hij je onder vuur kon nemen zonder risico’s, de landarbeider was wiens vrouw je de dood in geholpen had en je had je ook nooit kunnen voorstellen dat dit de landarbeider geweest kon zijn, omdat jij zelf niet de dader geweest was van de moord op de vroegere kasteelheer. Je kon je dit niet voorstellen omdat je niet wist dat je vrouw het spelletje op zo’n wijze altijd maar spannender wilde maken: ze wilde het onderste uit de kan, ze wilde het op een steeds volmaaktere wijze doen; volmaakt dan in de zin van de bevrediging van haar krankzinnige wraakgierigheid. Je wist, dat zij iemand was die zich steeds maar wilde wreken, maar je had haar hierin nooit op de voet kunnen volgen en je zou haar hierin nooit voor geweest kunnen zijn.
En toen je zo een tijdje was blijven zitten op die stoel, terwijl je tegen de kast aanleunde, had je gemerkt, dat het gezelschap wachtte. Je wist niet dat men wachtte totdat je je zou verplaatsen om je dan te zien vallen door de schoten van je eigen pistool, afgevuurd door de landarbeider wiens vrouw je het graf in geholpen had, je wist alleen maar dat men wachtte. En toen je aandachtig al de anderen had geobserveerd , vermoedde je dat het op jou was dat men wachtte. Men wachtte totdat je iets ging doen, totdat je iets ging zeggen of, totdat je je zou verplaatsen…
Zonder verder na te denken na die ene beslissing, was je plotseling opgesprongen en naar buiten gelopen in de duisternis, in de richting van het hek dat vergrendeld was. Hoewel je niet meer de kracht bezat waarover je vroeger als landarbeider wel beschikte, kostte het je maar een ogenblik om over het hek te komen en je liep recht in de richting van het huis waar de landarbeider woonde om hem hulp te vragen en bescherming. Plotseling was er niets meer waarvoor je nog zou moeten terugschrikken en je zag in het huis van de landarbeider alleen nog maar de mogelijkheid, de enige mogelijkheid, om je leven te redden. Als een bezetene rende je naar de kleine hoeve langs het kronkelende pad in de duisternis en naarmate je dichterbij kwam scheen het huisje je steeds kleiner en onbeduidender te worden. Maar je hoopte dat de landarbeider je zijn solidariteit zou betonen en je tegen de bedreiging zou beschermen met zijn vuurwapen. En toen je bij het huisje gekomen was, had je eerst enige tijd op de deur getrommeld en dan, toen je zag dat er niemand thuis was omdat niemand je geroep gehoord had, was je als een gek de duisternis van de velden ingelopen omdat je kon vermoeden dat men je wel onmiddellijk op het spoor zou komen om je af te maken.
Je was vroeger ontwaakt dan de zon, omdat je koude geleden had die je niet meer kon verdragen sedert de dag dat je je loopbaan als landarbeider achter je gelaten had en met stramme lede was je opgestaan terwijl je met je handen wreef over de plaatsen waar insecten je gestoken hadden en je was terug naar het kasteel gegaan omdat je jezelf plots voor krankzinnig ging uitmaken wegens je schrikkerige gedrag van de avond voordien. En het was op die terugweg naar het kasteel dat je plots dacht rechtsomkeer te maken en nooit meer terug te gaan naar het kasteel. Je wist dat je je rijkdom zou verliezen, maar meteen zou je ook al je zorgen verliezen en zou je je vrijheid terugvinden. Je hoefde je zelfs niet onherkenbaar te maken omdat je op het kasteel toch steeds met valse papieren had gewerkt en de nodige identiteitsbewijzen met nog een aardig stapeltje contanten had je altijd op zak. Je hoefde alleen maar ver genoeg daarvandaan te gaan. En toen je dit dacht, maakte je rechtsomkeer en werd je in de rug geschoten.
Er zijn mensen die zwemmen in de boeken: ze wonen in een grote stad, maar ze zijn afgezonderd van de stad omdat ze ergens boven op een zolderkamertje van een oud huis wonen dat verder praktisch onbewoond is, juist omdat het oud is of omdat de bewoners tamelijk uithuizig zijn, en daarom zou je evenwel kunnen zeggen dat die boekenmensen ergens ver weg buiten de bewoonde wereld in een woestijn wonen. Hun materiële behoeften zijn beperkt tot het minimum tenzij ze dan hun kapitaal in papier pompen. Zelden of nooit kan men hen zien, en als men ze ooit zou zien, zou men denken dat zij toevallige voorbijgangers zijn, toeristen op doortocht of stadsbezoekers en daarom kennen ze ook niemand in de stad en is er niemand in de stad die met hen ooit spreekt. Als je hen op het spoor zou komen, en je zou hen volgen wanneer ze zich buiten hun zolderkamer bewegen zou men denken dat het ofwel zwakzinnigen ofwel supermensen zijn, want ze zouden je nooit de indruk geven dat ze behoefte aan menselijk contact hebben. Het overgrote deel van hun tijd brengen ze door op hun zolderkamertje, waar waarschijnlijk bed, kachel, tafel, stoel en kast allemaal opgeborgen zijn in een ruimte van enkele kubieke meter.
Hun zolderkamertje bevindt zich aan de achterzijde van zo’n oud gebouw, en wanneer je toevallig uitzicht zou hebben op de achterzijde van het gebouw omdat je tuin aan de achterzijde van dat gebouw paalde, zou je ’s avonds zien hoe het gordijn voor het smalle venster geschoven werd en hoe er dan een licht aanging op dat kamertje. Naarmate het dieper nacht werd, zou je merken hoe het licht daarbinnen sterker zou worden, in een climax die stilaan iets dichterlijks maar ook iets bovennatuurlijks, iets griezeligs zelfs, verspreidde.
***
© Jan Bauwens, Serskamp 1986-2006.
isbn 90-77532-23-4
In 1986 verschenen bij Pandora, Wespelaar, isbn 90-5020-002-8
Gepost door: omsk op 14-12-2006 om 14:20
|
|
|